ECLI:NL:PHR:2012:BV0688

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03948
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 288 lid 1 onder b RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onverantwoord risicovol handelen ondernemer

Verzoeker was bestuurder van twee coöperatieve verenigingen die failliet gingen met een gezamenlijke schuld van ruim €144.000. Kort daarna startte hij een eenmanszaak in dezelfde branche, gefinancierd met leverancierskrediet en een betalingsregeling afhankelijk van tijdige oplevering. Een schuldeiser vroeg zijn faillissement aan en verzoeker staakte zijn bedrijf.

De rechtbank wees het verzoek tot schuldsanering af omdat verzoeker niet te goeder trouw handelde bij het ontstaan van de schulden. Het hof bevestigde dit oordeel en vond het onverantwoord risicovol om het nieuwe bedrijf te financieren op deze wijze, vooral gezien de eerdere faillissementen.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof de maatstaf van goede trouw onjuist toepaste en onvoldoende rekening hield met privé-inzet van gelden. De Hoge Raad verwierp deze middelen, oordelend dat het hof terecht concludeerde dat verzoeker verwijtbaar handelde door onverantwoord risico te nemen. De beslissing omtrent het verzoek van verzoekers echtgenote bleef buiten beschouwing.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onverantwoord risicovol handelen van verzoeker.

Conclusie

Zaaknummer: 11/03948
mr. Wuisman
Parketdatum: 2 december 2011 (WSNP)
CONCLUSIE inzake :
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph Dietz de Loos.
1. Voorgeschiedenis
1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) heeft te samen met zijn echtgenote, met wie hij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd, op 4 mei 2011 aan de rechtbank Almelo het verzoek gedaan om tot de schuldsaneringregeling te worden toegelaten.
1.2 In rechte is onder meer het volgende gebleken:
(i) [Verzoeker] is bestuurder geweest van twee op het vlak van renovatie van woningen actieve coöperatieve verenigingen, die op 24 maart 2010 respectievelijk 28 april 2010 in staat van faillissement zijn verklaard. De totale schuldenlast van de twee verenigingen bedroeg € 144.172,59. De faillissementen zijn op 8 december 2010 wegens de toestand van de boedel opgeheven.
(ii) [Verzoeker] is in december 2009 een eenmanszaak gestart op het vlak van nieuwbouw van woningen. Voor wat de financiering van de activiteiten betreft leunde hij, zoals ook de coöperatieve verenigingen deden, op leverancierskrediet en hanteerde hij verder ook de formule dat de opdrachtgever slechts hoefde te betalen ingeval het onroerend goed tijdig werd opgeleverd. Bij te late oplevering kon geen betaling worden afgedwongen.
(iii) Een schuldeiser heeft op 15 maart 2011 verzocht [verzoeker] in staat van faillissement te verklaren.
(iv) [Verzoeker] heeft zijn eenmanszaak op 1 april 2011 gestaakt.
(v) Ten tijde van het indienen van het verzoek om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten bedroeg de schuldenlast volgens een overzicht van de Stadsbank Oost Nederland € 223.418,14.
(vi) [Verzoeker] is thans werkzaam bij de belastingdienst.
1.3 De rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] bij vonnis van 14 juni 2011 afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] de schulden waarvoor toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt verzocht, niet te goeder trouw doen ontstaan door vlak vóór het faillissement van de coöperatieve verenigingen een eenmanszaak op te starten in dezelfde branche en met dezelfde aanpak op het financiële vlak.
Ten aanzien van het verzoek van de echtgenote heeft de rechtbank de beslissing aangehouden teneinde haar in de gelegenheid te stellen om zich erover uit te laten of zij, gelet op de beslissing op het verzoek van haar echtgenoot en het feit dat zij met hem in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd, haar verzoek gestand wenst te doen dan wel dit wenst in te trekken.
1.4 [Verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank in appel gekomen bij het hof Arnhem. Dat hof heeft bij arrest d.d. 22 augustus 2011 het vonnis bekrachtigd. Ook het hof is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het - recent en in korte tijd - doen ontstaan van een aanzienlijke schuldenlast en het onbetaald laten daarvan te goeder trouw is. Daarbij neemt het hof eveneens in aanmerking, kort samengevat, dat [verzoeker] vanwege het faillissement van de coöperatieve verenigingen extra beducht had moeten zijn voor de risico's van ondernemen en dat het onverantwoord risicovol was om het nieuwe bedrijf te voeren op basis van leverancierskrediet en met de formule dat een opdrachtgever slechts hoefde te betalen, indien het onroerend goed tijdig werd opgeleverd.
1.5 Met een op 29 augustus 2011 per fax, derhalve tijdig, bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is [verzoeker] van het arrest van het hof in cassatie gekomen. Er is door het echtpaar [betrokkene 1 en 2] een verweerschrift in cassatie ingediend, welk echtpaar ook in appel al om afwijzing van het verzoek van [verzoeker] had verzocht.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Er zijn drie cassatiemiddelen voorgedragen.
Cassatiemiddel I
2.2 In cassatiemiddel I wordt aangevoerd dat het hof een onjuiste toepassing aan de goede trouw-maatstaf heeft gegeven. Door 'op de stoel van de ondernemer te gaan zitten' en door zonder voldoende motivering een in de praktijk gangbaar financieringsinstrument als zodanig risicovol te achten heeft het hof de limitatieve afwijzingsgronden verruimd.
2.3 Het cassatiemiddel treft geen doel. Het hof maakt zich niet schuldig aan verruiming van limitatieve afwijzingsgronden. Een van de ijkpunten binnen de goede trouw-maatstaf is of degene, die om toelating tot de schuldsaneringsregeling verzoekt, van het ontstaan van de schulden een verwijt is te maken. Die verwijtbaarheidstoets kan ook gehanteerd worden ten aanzien van schulden die als ondernemer zijn gemaakt. Het hof acht de verwijtbaarheid in casu hierin gelegen dat [verzoeker] bij de uitoefening van de eenmanszaak onverantwoord risicovol heeft gehandeld. Dat oordeel rust op gronden die dat oordeel kunnen dragen en begrijpelijk doen zijn. Die gronden komen nl. hierop neer dat [verzoeker], die vanwege de bij de coöperatieve verenigingen bestaande financiële problemen extra beducht had moeten zijn voor de risico's van ondernemen, ook aan de eenmanszaak een in financieel opzicht heel kwetsbare opzet heeft gegeven. Leveranciers dienden te worden betaald met van de opdrachtgevers te ontvangen gelden, die bij vertraging in de uitvoering van het werk echter niet zouden worden ontvangen.
Cassatiemiddel II
2.4 De klacht van cassatiemiddel II komt hierop neer dat het hof niet, althans niet kenbaar, bij zijn beoordeling de stelling heeft betrokken dat uit de privé-sfeer gelden zijn ingezet om de verplichtingen van de eenmanszaak na te komen (beroepschrift in appel, sub 9), zodat het hof zijn arrest niet afdoende heeft gemotiveerd.
2.5 De klacht slaagt niet. De stelling waarop een beroep wordt gedaan, doet niet af aan het oordeel van het hof dat [verzoeker] onverantwoord risicovol heeft gehandeld. De stelling houdt nl. niet in dat zo nodig in zodanige mate privé-gelden zouden kunnen worden ingezet dat in redelijkheid kon worden aangenomen dat het verantwoord was om de financiële risico's te aanvaarden, die aan de financiële opzet van de eenmanszaak waren verbonden. Nu de stelling dit niet inhield, hoefde het hof aan de stelling niet apart aandacht aan te schenken; los van de stelling kon het hof tot het oordeel komen dat [verzoeker] onverantwoord risicovol heeft gehandeld.
Cassatiemiddel III
2.6 Cassatiemiddel III heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank om de beslissing omtrent het verzoek van de echtgenote van [verzoeker] aan te houden. Die beslissing heeft geen deel uitgemaakt van het debat in appel en kan daarom in cassatie geen rol spelen. Hierop strandt reeds cassatiemiddel III.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden