ECLI:NL:PHR:2012:BV0689

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04388
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 350 lid 3 sub c FwArt. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen ondanks psychische problemen

Een echtpaar werd op 23 maart 2009 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De rechtbank Breda beëindigde op verzoek van de bewindvoerder de regeling op 4 mei 2011 wegens niet-nakoming van verplichtingen. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis op 27 september 2011, ondanks begrip voor de psychische problemen van de man.

Het hof stelde vast dat het echtpaar structureel tekort was geschoten in hun verplichtingen, zoals het onvoldoende informeren van de bewindvoerder, het niet aantonen van sollicitatie-inspanningen, het belemmeren van budgetbeheer en het ontstaan van nieuwe schulden. Het hof oordeelde dat hen een verwijt valt te maken en zag geen reden tot verlenging van de regeling.

Het echtpaar kwam in cassatie tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom de beëindiging terecht was, ook al toonde het begrip voor hun situatie. De verwijtbaarheid was voldoende vastgesteld en het cassatiemiddel werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen.

Conclusie

Zaaknr. 11/04388
Mr. Wuisman
Parketdatum: 2 december 2011
CONCLUSIE inzake:
1. [Verzoekster 1],
2. [Verzoeker 2],
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver
1. Voorgeschiedenis
1.1 Verzoekers tot cassatie - echtelieden; hierna te noemen de vrouw respectievelijk de man - zijn op 23 maart 2009 tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen toegelaten.
1.2 Op daartoe strekkend verzoek van de bewindvoerder heeft de rechtbank Breda bij vonnis van 4 mei 2011 voor zowel de man als de vrouw de schuldsaneringsregeling beëindigd op de in artikel 350 lid Pro 3, sub c, Fw voorziene grond, dat uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen.
1.3 Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 september 2011 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overweegt het hof in rov. 3.5.2 onder meer: "Hoewel het hof begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin [de man] en [de vrouw] zich bevinden - waarbij met name de psychische problemen van [de man] in de afgelopen jaren hun tol hebben geëist - oordeelt het hof dat zij gedurende de gehele schuldsaneringsregeling structureel de daaruit voor hen voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen. Daarna geeft het hof in dezelfde overweging nader aan wie welke verplichting uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen om vervolgens te eindigen met: "Uit de diverse verslagen van de bewindvoerder concludeert het hof dat [de man] en [de vrouw] geacht konden worden op de hoogte te zijn van hun verplichtingen, zodat hen van de hiervoor beschreven tekortkomingen een verwijt valt te maken. Het hof ziet daarom geen aanleiding voor een verlenging van de schuldsaneringsregeling."
1.4 De man en de vrouw zijn van het arrest van het hof in cassatie gekomen met een op 4 oktober 2011, derhalve binnen de in art. 292 lid 3 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen, per fax ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Betoogd wordt dat het hof zijn arrest niet naar behoren heeft gemotiveerd door enerzijds aan het begin van rov. 3.5.2 aan te geven begrip te hebben voor de moeilijke situatie waarin de man en de vrouw verkeren waarbij met name de psychische problemen van de man in de afgelopen jaren hun tol hebben geëist, maar anderzijds te concluderen dat de rechtbank terecht de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd. Het hof heeft niet voldoende inzicht geboden in welk gewicht het aan welk element heeft toegekend. Deze klacht houdt niet een bestrijding in van de vaststelling zelf van het hof in welk opzicht de man en de vrouw tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. De klacht komt in de kern genomen hierop neer dat het hof niet voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het de beëindiging van de saneringsregeling wegens het niet nakomen door de man van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling op zijn plaats acht, hoewel het begrip toont voor de moeilijke situatie waarin de man en de vrouw - met name gelet op de psychische problemen bij de man in de afgelopen jaren - zich bevinden.
2.2 Om een schuldsaneringsregeling tussentijds te kunnen beëindigen op de voet dat verplichtingen uit die regeling niet naar behoren zijn nagekomen, zal moeten zijn gebleken dat aan de betrokken schuldenaar een verwijt van het niet nakomen van de verplichtingen is te maken; zie HR 12 juni 2009, LJN BI0455, NJ 2009, 270, met name rov. 3.3.2.
2.3 Het hof heeft deze eis van verwijtbaarheid niet over het hoofd gezien. Aan het slot van rov. 3.5.2 concludeert het hof immers dat aan de man en de vrouw van de eerder omschreven tekortkomingen een verwijt valt te maken. Die conclusie is niet onverenigbaar te achten met het aan het begin van rov. 3.5.2 door het hof uitgesproken begrip voor de moeilijke situatie, waarin de man en vrouw verkeren. Met betrekking tot de tekortkomingen die het hof vaststelt, met name die betreffende het maar matig informeren van de bewindvoerder, het onvoldoende aantonen van de sollicitatie-inspanningen van de vrouw, het doorkruisen van de werkzaamheden van het budgetbeheer en het laten ontstaan van nieuwe schulden, zijn geen feiten met een zodanige onderbouwing gesteld dat aannemelijk is te achten dat van een en ander aan de man en de vrouw geen verwijt valt te maken. Bij gebreke van feiten met een deugdelijke onderbouwing was het hof ter zake van het punt van de verwijtbaarheid ook niet tot een nadere motivering gehouden.
2.4 Het cassatiemiddel treft derhalve geen doel.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden