Art. 81 ROArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 351 lid 5 FwArt. 285 Fw
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw
Verzoeker, een man die in Duitsland een woning kocht met een hypothecaire lening, zag zijn relatie eindigen en kampte met een aanzienlijke restschuld na verkoop van de woning. Hij vroeg toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar de rechtbank wees dit af vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht en twijfel over de goede trouw bij het ontstaan van schulden, met name bij de schuld aan het CJIB.
In hoger beroep bevestigde het hof deze afwijzing, omdat verzoeker onvoldoende inzicht gaf in de omvangrijke schuld aan Volksbank Gronau en de financiële positie van zijn besloten vennootschap en eenmanszaak. Het hof oordeelde dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest.
Verzoeker kwam hiertegen in cassatie met twee middelen, die de Hoge Raad verwierp. De Raad vond het oordeel van het hof begrijpelijk en niet onjuist, en stelde vast dat verzoeker onvoldoende inzicht had gegeven in de schuldopbouw en financiële situatie. Ook het argument van overmacht werd niet aanvaard als reden om de goede trouw te veronderstellen.
De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft afgewezen en verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijk maken van goede trouw.
Conclusie
11/05088
Mr. L. Timmerman
Parket: 6 januari 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Feiten en procesverloop
1.1 [Verzoeker], een 35-jarige, thans alleenstaande man, heeft in Duitsland samengewoond met een vriendin. Samen met deze vriendin heeft hij naar eigen zeggen in januari 2006 een woning gekocht voor € 130.000,-. De voor die woning bij Volksbank Gronau afgesloten hypothecaire lening bedroeg volgens de verklaring van [verzoeker] € 180.000,-. Ten tijde van de aankoop van de woning was [verzoeker] werkzaam als ZZP'er en werkte zijn vriendin fulltime in loondienst. In 2007 is de relatie tussen [verzoeker] en zijn vriendin geëindigd. [Verzoeker] is in de woning blijven wonen.
1.2 Naar [verzoeker] heeft gesteld, heeft hij gedurende een aantal maanden in 2009 niet voldaan aan zijn hypothecaire verplichtingen. Vervolgens heeft [verzoeker] zelf - zonder succes - geprobeerd de woning te verkopen. Uiteindelijk heeft Volksbank Gronau de woning in december 2010 verkocht voor een bedrag van - volgens [verzoeker] - € 65.000,-. De restschuld na verkoop bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht van 15 juli 2011 € 347.679,23.
1.3 [Verzoeker] is in juli 2010 teruggekeerd in Nederland en heeft vanaf 1 juli 2008 tot 14 oktober 2010 een eenmanszaak geëxploiteerd onder de naam "[A]". Voorts is gebleken van het bestaan van een volgens [verzoeker] in 2001/2002 door hem opgerichte besloten vennootschap, genaamd "[B] B.V.", van welke vennootschap [verzoeker] bestuurder is. Volgens de verklaring van [verzoeker] vinden er geen activiteiten meer plaats in de B.V. en zijn de activiteiten voortgezet in de eenmanszaak. [Verzoeker] is thans fulltime werkzaam in loondienst als timmerman. Zijn inkomen bedraagt naar eigen zeggen € 1.250,- netto per maand.
1.4 De schuldenlast van [verzoeker] bedraagt volgens het hiervoor onder 1.2 genoemde schuldenoverzicht in totaal bijna € 372.000,- en bestaat naast de schuld aan Volksbank Gronau onder meer uit twee schulden aan Rabobank Enschede van € 15.237,50 en € 680,36 en een schuld aan het CJIB van in totaal van € 2.088,52.
1.5 De rechtbank Almelo heeft het verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling bij vonnis van 20 september 2011 afgewezen en daartoe het volgende overwogen. [Verzoeker] is reeds voor de eventuele toepassing van de schuldsaneringsregeling zijn inlichtingenplicht niet nagekomen. Hij had namelijk verzuimd melding te maken van het bestaan van de besloten vennootschap, waarvan hij nog bestuurder is. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank onder andere niet worden beoordeeld of er voor [verzoeker] nog (financiële) verplichtingen uit de vennootschap voortvloeien. Voorts zijn - nog steeds volgens de rechtbank - de schulden aan het CJIB naar hun aard reeds niet te goeder trouw ontstaan. Volgens de rechtbank bestaat de schuld aan het CJIB uit boetes voor 17 Mulder-feiten, gepleegd van 2006 tot en met 2011, één OM-afdoening en een boete voor een in 2006 gepleegd Strabisfeit. Bezien in onderling verband met de recente ontstaansdata van een deel van de schuldenlast aan het CJIB en de omvang van de schuldenlast, moet dit volgens de rechtbank eveneens leiden tot afwijzing van het verzoek.
1.6 [Verzoeker] is van dit vonnis is hoger beroep gekomen. Het hof stelt in rov. 3.4 voorop dat op [verzoeker], als degene die een verzoek doet tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, de plicht rust aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
1.7 In rov. 3.5 vervolgt het hof dat [verzoeker] naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de omvangrijke schuld (meer dan 93% van zijn totale schuldenlast) aan Volksbank Gronau, zodat hij reeds hierom niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij overweegt het hof dat het op de weg van [verzoeker] ligt om inzichtelijk te maken hoe voormelde schuld tot stand is gekomen en hoe deze is samengesteld. [Verzoeker] heeft daartoe in hoger beroep aangevoerd dit hij over de eerste € 80.000.- van zijn hypothecaire geldlening 1% rente verschuldigd was, 2% over de volgende € 40.000,- en 4,3% over het restant. In geval van niet betaalde maandtermijnen heeft Volksbank Gronau volgens [verzoeker] een boetepercentage van 15 gehanteerd. Voorts heeft [verzoeker] gesteld dat de bank de verkoopopbrengst van de woning nog niet in mindering heeft gebracht op de totale vordering op hem. Waarom dat (nog) niet is gebeurd is voor [verzoeker] onduidelijk. Het hof is van oordeel dat voor al deze door [verzoeker] geponeerde stellingen geen houvast kan worden gevonden in de door [verzoeker] overgelegde stukken en dat deze stellingen niet verklaren waarom de restschuld aan Volksbank Gronau in verhouding tot de hypothecaire verplichtingen zo omvangrijk is. Ook indien de stelling van [verzoeker] zou worden gevolgd dat zijn totale schuld aan Volksbank Gronau minder groot is gezien de nog in aanmerking te nemen verkoopopbrengst van de woning, is er nog altijd sprake van een aanzienlijke schuld aan die bank van omstreeks € 282.000,- die niet in verhouding staat tot de waarde van de woning en de oorspronkelijke hoofdsom van de pas vijf jaar geleden aangegane geldlening.
1.8 In rov. 3.6 overweegt het hof dat daarbij komt dat in hoger beroep onduidelijkheid is blijven bestaan omtrent de financiële positie van de door [verzoeker] opgerichte besloten vennootschap [B] B.V., omdat nog geen sprake is van een ontbinding of vereffening van de vennootschap. [Verzoeker] heeft geen inzicht geboden in de financiële positie van de vennootschap en de financiële verplichtingen die mogelijk uit deze vennootschap, waarvan de activiteiten naar hij stelt zijn voortgezet in de eenmanszaak, voor hem voortvloeien. Ook ten aanzien van de eenmanszaak heeft [verzoeker] geen boekhoudkundige stukken overgelegd.
1.9 Het hof komt in rov. 3.7 dan ook tot het oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [verzoeker] toch zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het hof bekrachtigt dan ook het vonnis waarvan beroep.
1.10 [Verzoeker] is van dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(1)
2. Bespreking van de klachten
2.1 In cassatie worden twee middelen te berde gebracht tegen respectievelijk rov. 3.5 en rov. 3.6 van 's hofs arrest. In de daaraan voorafgaande rechtsoverweging (3.4) heeft het hof de toepasselijke maatstaf weergegeven, te weten dat op degene die het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering doet, de plicht rust aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. In rov. 3.4 heeft het hof op basis van deze maatstaf geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Volksbank Gronau te goeder trouw is geweest: [verzoeker] heeft verzuimd inzichtelijk te maken hoe de omvangrijke schuld aan de bank tot stand is gekomen en waaruit deze is samengesteld. In rov. 3.6 heeft het hof daaraan nog toegevoegd dat [verzoeker] ook heeft nagelaten inzicht te verschaffen omtrent de financiële positie van de besloten vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is alsook boekhoudkundige stukken te overleggen van het door hem gedreven eenmansbedrijf.
2.2 Het eerste middel bevat verschillende klachten die geen van alle tot cassatie kunnen leiden. Zo veronderstelt het onderdeel in de vijf alinea's onder het (eerste) kopje "IMMERS" ten onrechte dat het hof twee verschillende maatstaven heeft gehanteerd en dat het hof het gebrek aan goede trouw mede heeft opgehangen aan de omvang van de schuld. 's Hofs oordeel in rov. 3.5 is m.i. uitsluitend gebaseerd op het feit dat [verzoeker] niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe en waaruit [verzoeker]s aanzienlijke schuld aan de Volksbank Gronau is ontstaan. In cassatie wordt de door het hof in rov. 3.4 geformuleerde maatstaf - terecht - niet bestreden. 's Hofs daarop gevestigde oordeel dat [verzoeker] is tekortgeschoten, is onjuist noch onbegrijpelijk. Immers is in twee instanties in het geheel niet uit de verf gekomen hoe de hypotheekschuld zich in korte tijd heeft kunnen verdubbelen. In zoverre faalt het middel dan ook.
2.3 Onder het (volgende) kopje "Immers" wordt geklaagd dat het hof [verzoeker] onder de omstandigheden van het geval ten onrechte een verwijt heeft gemaakt "in het kader van de goede trouw toets" ter zake van "het ontstaan en onbetaald laten van de hypothecaire schuld, en de daarbij oplopende stand". Volgens het middel was hier "duidelijk een overmachtsituatie aan de orde". Het middel gaat langs 's hofs oordeel heen. Het hof heeft als gezegd zijn oordeel gebaseerd op het in het kader van het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling niet inzichtelijk maken van het ontstaan en (daarmee ook) de opbouw van de omvangrijke schuld, terwijl de "overmachtsituatie" aan het inzichtelijk maken niet in de weg stond.
2.4 Waar het middel aanvoert dat [verzoeker] "ten overvloede" heeft gesteld welke rente- en boetepercentages verschuldigd waren over de hypotheek en dat de opbrengst van de woning nog niet op de restschuld in mindering was gebracht, miskent het dat in weerwil van deze stellingen wat betreft het leeuwendeel van de schuld nog in het duister wordt getast. Daargelaten dat het middel niet aangeeft waar in de dingtalen van de feitelijke instanties de volgens het hof ontbrekende "houvast" gevonden had kunnen worden, verklaren deze stellingen ook niet hoe de hypothecaire schuld in relatief korte tijd dermate heeft kunnen oplopen.
2.5 Onder het kopje (opnieuw) "IMMERS" op blz. 4 van het cassatieverzoekschrift voegt het middel daaraan nog toe dat het hof door "deze feitelijke berekeningstoets" "ten onrechte voortbouwt op de vraag hoe hoog de hypothecaire schuld geweest is, om vervolgens toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen op grond van het argument dat het een omvangrijke schuld betrof welke meer dan 93% van zijn totale schuldenlast betrof, reden om te oordelen dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten." Ook wordt aangevoerd, als ik het goed begrijp, dat het hof heeft miskend dat de lening "in goed, rustig overleg met de Volksbank Gronau, althans de kredietcommissie van die bank is gebeurd, terwijl het onbetaald laten tenslotte het gevolg is geweest van overmacht als gevolg van het opbreken van een relatie en het wegvallen van een inkomen, en het als maar oplopende saldo als gevolg van boeterenten en (na)kosten en tenslotte een desastreus lage verkoopopbrengst, midden in een crisisperiode". Deze klachten stranden op de hiervoor reeds in par. 2.3-2.4 genoemde redenen. Hetgeen wordt aangevoerd - overigens zonder te verwijzen naar vindplaatsen in de gedingstukken van de feitelijke instanties of anderszins met (bewijs)stukken te staven - maakt (ook in cassatie nog steeds) niet duidelijk hoe de schuld aan de Volksbank Gronau zich in zulk een korte tijd heeft kunnen verdubbelen. Dat breekt [verzoeker] hier op.
2.6 Het tweede middel miskent dat rov. 3.5 's hofs oordeel zelfstandig draagt en dat rov. 3.6 in zoverre een overweging ten overvloede behelst ("Daar komt bij"). Om die reden kunnen ook de in het tweede middel vervatte klachten niet tot cassatie leiden. De klachten gaan overigens ook inhoudelijk niet op. Het behoeft m.i. geen toelichting dat, anders dan in het onderdeel wordt gesteld, zowel de financiële positie van de besloten vennootschap waarvan [verzoeker] enig bestuurder en aandeelhouder is als de boekhoudkundige stukken van de door [verzoeker] gedreven eenmanszaak relevant zijn voor de financiële positie van [verzoeker] zelf. Niet goed valt in te zien waarom [verzoeker] in appel niet zelf met de betreffende gegevens op de proppen is gekomen, temeer daar het verzoek van [verzoeker] om toelating tot de schuldsaneringsregeling in eerste aanleg is afgewezen vanwege het laken van de inlichtingenplicht op dit punt.
2.7 De in cassatie ingenomen stelling dat "dit mogelijke nalaten" zodanig klein is in verhouding met het belang van [verzoeker] om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling dat het hof, nu dit tevens op eenvoudige wijze "reparabel" is, [verzoeker] in de gelegenheid had moeten stellen om alsnog de betreffende gegevens in het geding te brengen, is in het licht van art. 285 FwPro(2) niet begrijpelijk.
2.8 De klachten falen dan ook.
3. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is per fax en per post ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 18 november 2011, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 FwPro genoemde cassatietermijn van acht dagen.
2 Zie ook bijv. HR 15 februari 2002, LJN AD9144, NJ 2002, 259 m.nt. B. Wessels.