ECLI:NL:PHR:2012:BV2865

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04450
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot omzetting faillissement in wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw

Verzoeker tot cassatie heeft bij de rechtbank 's-Hertogenbosch verzocht om het faillissement op te heffen en dit te vervangen door de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan van een belastingschuld, die voortkwam uit het niet voldoen aan fiscale verplichtingen vanaf 2006 ondanks voldoende bedrijfsresultaten.

In hoger beroep bevestigde het hof deze afwijzing. Het hof stelde vast dat verzoeker gedurende drie jaar geen jaarrekeningen en fiscale aangiftes had opgesteld en zijn fiscale verplichtingen had verwaarloosd. Het hof oordeelde dat verzoeker zijn verantwoordelijkheid als ondernemer had verzaakt door geen toezicht te houden op de fiscale aangiftes.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof essentiële stellingen over zijn goede trouw niet had meegewogen, zoals inkomstenvermindering door faillissementen van opdrachtgevers, gezondheidsproblemen, onterecht beslag op een bedrijfsauto en pogingen om schulden te regelen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof deze stellingen wel had genoemd maar terecht niet in de beoordeling had betrokken omdat het ging om de goede trouw bij het ontstaan van de schulden, die verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel dat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de fiscale schulden. Hierdoor was omzetting van het faillissement in de wettelijke schuldsaneringsregeling niet mogelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot omzetting van het faillissement in de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.

Conclusie

Zaaknummer: 11/04450
mr. Wuisman
Parketdatum: 13 januari 2012
CONCLUSIE inzake:
[Verzoeker],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven
1. Feiten en procesverloop
1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) heeft op 15 maart 2011 bij de rechtbank 's-Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van het ten aanzien van hem uitgesproken faillissement onder het ten aanzien van hem gelijktijdig van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling.((1)) De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond dat hij niet te goeder trouw in de zin van art. 288 lid Pro 1, aanhef en sub b, Fw is geweest ten aanzien van het ontstaan van een belastingschuld. Die schuld is ontstaan als gevolg van het niet meer voldoen vanaf 2006 aan zijn fiscale verplichtingen, hoewel de resultaten van zijn bedrijf voldoende waren om de achterstanden bij de belastingdienst weg te werken.
1.2 In hoger beroep heeft het hof 's-Hertogenbosch bij arrest van 30 september 2011 het bestreden vonnis bekrachtigd, daartoe in rov. 3.4.2 overwegende: "In het adviesrapport van het IMK d.d. 29 maart 2010, productie 6 van het aanvullend beroepschrift, staat op blz. 5 dat er over de jaren 2007 tot en met 2009 geen jaarrekeningen en fiscale aangiftes zijn opgesteld. Het hof stelt op grond van dit rapport vast dat [verzoeker] gedurende 3 jaar niet aan zijn fiscale belastingverplichtingen heeft voldaan. [Verzoeker] heeft zijn ogen gesloten voor de noodzaak van afdracht aan de fiscus. Voor zover [verzoeker] geen inzicht had in de cijfers, doet dat daaraan niet af. Een ondernemer wordt immers geacht te weten dat er aangifte bij de belasting moet worden gedaan. Daarop diende [verzoeker] dan ook toezicht te houden en dat heeft hij gedurende langere tijd nagelaten."
1.3 [Verzoeker] heeft met een op 7 oktober 2011 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift tijdig cassatieberoep ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Er is één cassatiemiddel voorgedragen. Daarin wordt erover geklaagd dat het hof aan essentiële stellingen met betrekking tot de goede trouw van [verzoeker] voorbij is gegaan, althans dat het hof die stellingen niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken. Ter toelichting wordt gewezen op stellingen met betrekking tot inkomstenvermindering als gevolg van faillissementen van opdrachtgevers, verslechtering van de gezondheid van [verzoeker], onterecht maar niettemin tot inkomstenderving leidend beslag op een bedrijfsauto en pogingen van [verzoeker] tot het laatste moment om de schulden te regelen. Het zijn stellingen die allemaal ertoe strekken aan te tonen dat [verzoeker] ten aanzien van het niet hebben kunnen voldoen van de bij hem ontstane schulden, waaronder de belastingschulden, te goeder trouw is geweest.
2.2 In het kader van de weergave van wat [verzoeker] heeft aangevoerd refereert het hof aan genoemde stellingen; zie rov. 3.3. Maar het hof betrekt die stellingen inderdaad niet in de beoordeling van de goede trouw van [verzoeker]. Dat levert echter geen grond voor cassatie op. De goede trouw van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en sub b, Fw wordt niet slechts geëist ten aanzien van het onbetaald laten van schulden, maar ook ten aanzien van het ontstaan van schulden. Hetgeen het hof in rov. 3.4.2 - de kernoverweging te dezen - overweegt, heeft op dit laatste betrekking. Het hof acht door [verzoeker] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de fiscale schulden. Het beroep op het falen van de boekhouder verwerpt het hof en heeft het hof kunnen verwerpen door te wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] als ondernemer. Dat oordeel wordt overigens in het aangevoerde cassatiemiddel ook niet bestreden. Na de vaststelling dat [verzoeker] de goede trouw ten aanzien van het ontstaan van de fiscale schulden niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, hoefde het hof niet meer nader in te gaan op de stellingen ter zake van de goede trouw van [verzoeker] ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1. De echtgenote van [verzoeker] heeft op 30 maart 2011 bij de rechtbank 's-Hertogenbosch ook een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is door de rechtbank en het hof te 's-Hertogenbosch afgewezen. De vrouw is eveneens van het arrest van het hof in cassatie gekomen. De conclusie in die zaak is op dezelfde datum genomen als die van de voorliggende conclusie.