ECLI:NL:PHR:2012:BV2866

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04448
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287 lid 2 FwArt. 288 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende onderbouwing

Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek werd afgewezen omdat niet was gebleken van een poging tot een minnelijke schuldregeling. In hoger beroep bevestigde het hof de afwijzing, maar oordeelde dat het ontbreken van een minnelijke regeling in dit geval niet doorslaggevend was vanwege de gemeenschap van goederen met haar failliete echtgenoot.

Het hof wees het verzoek af omdat het niet voldoende was toegelicht of onderbouwd, waardoor het verzoek niet inhoudelijk kon worden beoordeeld. Verzoekster kwam hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel geen doel treft. De wet vereist dat een verzoek tot toelating tot de WSNP voldoende wordt toegelicht en onderbouwd. Het ontbreken daarvan leidt tot afwijzing. Het hof hoefde niet aan te geven welke aanvullende gegevens nog moesten worden verstrekt. De veronderstelde verrassingsbeslissing is voor rekening van verzoekster, die de onderbouwing had kunnen aanvullen bij de voorbereiding van het appel.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand en wordt het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Conclusie

Zaaknummer: 11/04448
mr. Wuisman
Parketdatum: 13 januari 2012
CONCLUSIE inzake:
[Verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.
1. Feiten en procesverloop
1.1 Verzoekster tot cassatie (hierna: [verzoekster]), in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1], heeft op 30 maart 2011 bij de rechtbank 's-Hertogenbosch een verzoek gedaan om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.((1)) Bij vonnis d.d. 22 juni 2011 is het verzoek afgewezen op de grond dat niet is gebleken van een poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
1.2 Van het vonnis is [verzoekster] in appel gegaan bij het hof 's-Hertogenbosch. Zij bestrijdt de door de rechtbank gebezigde afwijzingsgrond. Na behandeling van de zaak op de terechtzitting van 23 september 2011, beslist het hof bij arrest van 30 september 2011 tot bekrachtiging van het bestreden vonnis na in rov. 3.6 te hebben overwogen: "De grief van [verzoekster] slaagt evenwel. Aan de omstandigheid dat zij geen minnelijke regeling heeft aangeboden aan de schuldeisers - (...) - komt in dit geval geen beslissende betekenis toe. [Verzoekster] is immers in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1] hetgeen - nu [betrokkene 1] is gefailleerd - het aanbieden van een minnelijke regeling voor met name die gemeenschapsschulden tot een zinledige handeling maakt. Haar verzoek tot de schuldsaneringsregeling zal echter toch worden afgewezen, aangezien dit op geen enkele wijze als op grond van artikel 285 Faillissementswet Pro is vereist is toegelicht of geadstrueerd, zodat het hof het verzoek niet inhoudelijk kan toetsen. Het hof beschikt immers slechts over het beroepschrift, het bestreden vonnis en het verzoekschrift dat in eerste aanleg is ingediend."
1.3 Bij een op 7 oktober 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift is [verzoekster] van het arrest van het hof tijdig in cassatie gekomen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel omvat vier klachten, die zich kort als volgt laten samenvatten:
1. Het hof heef nagelaten om, na gegrondbevinding van de aangevoerde grief, [verzoekster] overeenkomstig het in artikel 287 lid 2 Fw Pro bepaalde in de gelegenheid te stellen de nog ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren.
2. Het hof heeft een verrassingsbeslissing gegeven. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is het ontbreken van een adstructie van het verzoek in het geheel niet ter sprake gebracht.
3. Het hof heeft niet aangegeven welke nadere gegevens [verzoekster] nog had moeten overleggen, zodat 's-hofs beslissing onbegrijpelijk is.
4. In artikel 288 lid 2 Fw Pro is niet voorzien in de mogelijkheid om een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen op de grond dat het verzoek niet is toegelicht of geadstrueerd. Het niet overleggen van gegevens zal slechts tot niet-ontvankelijkheid kunnen leiden.
2.2 De klachten treffen geen doel. Het spreekt reeds voor zichzelf maar het volgt bovendien ook uit de opzet van de wet - zie met name de artikelen 285 en 288 Fw -, dat ook ten aanzien van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden aangegeven waarom het voor toewijzing in aanmerking komt. Bij de voorbereiding van het appel had zonder enige moeite kunnen worden vastgesteld dat deze onderbouwing in eerste aanleg ontbrak. Hierin had aanleiding moeten zijn gevonden om in het appelschrift voor die onderbouwing alsnog zorg te dragen. Immers, toen al had het risico van afwijzing van het verzoek wegens het ontbreken van onderbouwing van het verzoek heel wel onderkend kunnen worden. Artikel 287 lid 2 Fw Pro is gericht tot de rechtbank en draagt bovendien geen imperatief karakter. Als de beslissing van het hof al heeft verrast dan komt dat, gezien het bovenstaande, geheel voor rekening van degene die zegt door de beslissing te zijn verrast. Met name uit lid 1 van de artikelen 285 en 288 Fw volgt welke informatie had moeten zijn verstrekt. Daarover hoefde het hof zich niet nader uit te laten. Een onvoldoende onderbouwing van het verzoek leidt tot afwijzing ervan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1. Haar echtgenoot had reeds op 15 maart 2011 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank 's-Hertogenbosch strekkende tot opheffing van het ten aanzien van hem uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig van toepassing verklaren ten aanzien van hem van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat verzoek is zowel in eerste aanleg als in appel afgewezen. Ook [betrokkene 1] is in cassatie gekomen. De conclusie in die zaak is van dezelfde datum als die van de voorliggende conclusie.