ECLI:NL:PHR:2012:BV2912
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap minderjarige en bewijs van huwelijk ouders volgens buitenlands recht
In deze zaak verzocht de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige de rechtbank om vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige, gebaseerd op het huwelijk van zijn ouders dat in Egypte zou zijn gesloten.
De rechtbank wees het verzoek af omdat niet was komen vast te staan dat de ouders ten tijde van de geboorte gehuwd waren. De rechtbank stelde dat het bestaan van het huwelijk moest worden aangetoond door overlegging van een huwelijksakte, en het overgelegde huwelijkscertificaat uit 2002 was onvoldoende bewijs. Ook de inschrijving in de Nederlandse burgerlijke stand en erkenning van de minderjarige door de vader boden geen grond voor toekenning van het Nederlanderschap.
In cassatie klaagde de verzoeker dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het internationale karakter van de zaak en het toepasselijke Egyptische recht, dat volgens hem niet vereist dat een huwelijksakte wordt overgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het bestaan van het huwelijk aan bewijs door een huwelijksakte heeft verbonden, mede gelet op de uitleg van het Egyptische recht zoals door de feitenrechter vastgesteld. Het cassatiemiddel werd verworpen omdat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en het middel geen feitelijke grondslag had om het oordeel aan te tasten.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van de bewijslevering van het huwelijk volgens het recht van de plaats van huwelijksvoltrekking en de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij de uitleg van buitenlands recht.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het huwelijk van de ouders.