ECLI:NL:PHR:2012:BV3409

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05319
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 282a lid 2 RvArt. 427b RvArt. 282a lid 4 RvArt. 127a lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late betaling griffierecht

Op 1 december 2011 heeft verzoeker tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage. Volgens artikel 3 lid 4 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken moest het griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift zijn voldaan, uiterlijk op 29 december 2011. De betaling vond echter pas plaats op 5 januari 2012, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 282a lid 2 in verbinding met artikel 427b Rv.

De advocaat van verzoeker voerde aan dat de late betaling het gevolg was van communicatieproblemen bij de invoering van een nieuw griffierechtenstelsel en verzocht om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 282a lid 4 Rv. Deze clausule kan in uitzonderlijke gevallen leiden tot buiten toepassing laten van de niet-ontvankelijkheidsregel.

De Hoge Raad oordeelde dat geen omstandigheden waren aangevoerd die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Er was geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard die het belang van verzoeker bij toegang tot de rechter zou wegen tegen de wettelijke regels. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.

Conclusie

11/05319
Mr. F.F. Langemeijer
3 februari 2012 (incident griffierecht)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
De Staat der Nederlanden
1. Bij op 1 december 2011 ingediend verzoekschrift heeft [verzoeker] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 1 september 2011.
2. Ingevolge artikel 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken diende [verzoeker] te zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad, dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. De termijn liep af op 29 december 2011, maar het griffierecht is eerst op 5 januari 2012 voldaan. Dat brengt mee dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in artikel 282a lid 2 in verbinding met artikel 427b Rv niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn beroep(1).
3. Bij brief van 5 januari 2012 heeft de advocaat van [verzoeker] zich uitgelaten over de te late betaling van de griffierechten. Hij stelt dat er ten gevolge van de nieuwe regeling rond de betaling van de griffierechten iets is misgegaan in de communicatie met [verzoeker], die de griffierechten rechtstreeks zou voldoen, en verzoekt in verband met de aanloopproblemen bij de invoering van het nieuwe griffierechtenstelsel het verzuim als verschoonbaar aan te merken.
4. In de brief worden geen omstandigheden genoemd die nopen tot het buiten toepassing laten van artikel 282a lid 2 in verbinding met artikel 427b Rv op de in artikel 282a lid 4 Rv genoemde grond, hierna aangeduid als de 'hardheidsclausule'. Ook anderszins is niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat toepassing van voornoemde artikelen, gelet op het belang van [verzoeker] bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor zover de advocaat van [verzoeker] heeft beoogd een beroep te doen op de hardheidsclausule, moet dat beroep dan ook falen.
5. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Vgl. HR 9 december 2011 (LJN: BU7291).