ECLI:NL:PHR:2012:BV5569
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt klachtplicht jegens afzonderlijke vennoten bij aannemingsovereenkomst
In deze zaak vorderen eisers vergoeding voor herstelkosten van gebreken aan een verbouwde boerderij en schuur, uitgevoerd door een vennootschap onder firma (vof) waarvan verweerder vennoot was. Na diverse procedures en deskundigenrapporten oordeelt het hof dat niet tijdig over de gebreken is geklaagd, omdat deze pas met de memorie van grieven kenbaar zijn geworden. De Hoge Raad bevestigt dat de klachtplicht uit artikel 6:89 BW Pro ook geldt jegens afzonderlijke vennoten van een vof, aangezien de vennoot persoonlijk contractspartij is.
De procedure omvatte meerdere deskundigenonderzoeken en rapporten, waaronder van Keesom en Hillebrink, die gebreken aan kozijnen, gevelbekleding en tuinmuur constateerden. Het hof maakte onderscheid tussen gebreken die wel en niet tijdig waren gemeld en wees aansprakelijkheid af voor gebreken waarover niet tijdig was geklaagd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de gebreken pas met de memorie van grieven kenbaar zijn geworden, ondanks eerdere rapporten en brieven.
De Hoge Raad wijst klachten af over het oordeel van het hof en bevestigt dat de vennoot persoonlijk aansprakelijk is, ook na ontbinding van de vof. De klachtplicht rust op de partij die de gebreken ontdekt en tijdig moet klagen, wat in deze zaak niet is gebeurd. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, waarmee de Hoge Raad het oordeel van het hof bekrachtigt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat eisers niet tijdig hebben geklaagd over gebreken jegens verweerder als vennoot, waardoor hun vordering wordt afgewezen.