ECLI:NL:PHR:2012:BV5627
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van het begrip ‘maand’ in de strafbepalingen van de Wegenverkeerswet 1994
In deze zaak stond de uitleg van het begrip ‘maand’ in de strafbepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 centraal. De verdachte was door het hof veroordeeld wegens het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het hof had de duur van de ontzegging als kalendermaanden geïnterpreteerd, terwijl volgens art. 88 Sr Pro een maand 30 dagen omvat. Dit artikel is echter niet van toepassing verklaard op de Wegenverkeerswet 1994.
De advocaat-generaal stelde dat het begrip ‘maand’ in de Wegenverkeerswet 1994 gelijk moet worden uitgelegd als in het Wetboek van Strafvordering, namelijk als een periode van 30 dagen, om uiteenlopende betekenissen te voorkomen. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het begrip ‘maand’ anders moest worden uitgelegd.
De Hoge Raad bevestigde dat de Wegenverkeerswet 1994 geen afwijkende betekenis aan het begrip ‘maand’ geeft en dat de ontzeggingstermijn derhalve in dagen moet worden berekend. Omdat het hof dit niet juist had toegepast en onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de tenlastegelegde periode binnen de ontzegging viel, werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met de juiste uitleg van het begrip ‘maand’.