1 Zie de weergave van de feiten in rov. 2 onder 2.1 t/m 2.6 van het tussenarrest van het hof 's-Gravenhage van 1 september 2009. Blijkens rov. 1 van dat arrest gaat het hof hierbij uit van de feiten die door de rechtbank 's-Gravenhage in haar vonnis van 29 juni 2005 zijn vermeld onder rov. 1.1 t/m 1.6.
2 Het hof rekent in rov. 2.3 het bedrag van f 75.000,- om naar € 34.033,51. In het eindarrest gaat het hof in rov. 6, 7 en het dictum uit van een bedrag van € 34.033.52.
3 Zie het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2005, rov. 1.6.
4 Vgl. HR 1 juli 1993, LJN ZC1033, NJ 1993/688, rov. 3.4.2: "(...) Het subonderdeel is evenwel gegrond, voor zover het betoogt dat 's hofs opvatting impliceert dat in het handelsverkeer tussen ondernemingen de toestemming van een contractspartij in het algemeen mede moet worden geacht gericht te zijn geweest op zeer vergaande exoneratieclausules in stilzwijgend aanvaarde maar niet gekende algemene voorwaarden, en dat zulks blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Indien een contractspartij de toepasselijkheid van door haar niet gekende algemene voorwaarden stilzwijgend heeft aanvaard, sluit dit immers niet uit dat er zich onder die voorwaarden bepalingen bevinden van een zodanige inhoud, dat haar toestemming niet kan worden geacht op de toepasselijkverklaring ook dáárvan gericht te zijn geweest, ook al is het een feit van algemene bekendheid dat in algemene voorwaarden bepalingen van een dergelijke inhoud zo regelmatig voorkomen, dat men daarmede rekening dient te houden (...)".
5 De s.t. zijdens [eiser] sub 2 (evenals de repliek sub 2) veronderstelt m.i. ten onrechte dat het zou gaan om het feit "dat 75.000 gulden een normaal, gebruikelijk, beding is".
6 A.L.M. Keirse, Schadebeperkingsplicht (diss. Groningen), 2003 p. 149-150; H.B. Krans, Schadevergoeding bij wanprestatie (diss. Leiden), 1999, p. 207; A.J.O. van Wassenaer van Catwijck & R.H.C. Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid, 1995, p. 155; A.J.O. van Wassenaer van Catwijck, Eigen schuld (diss. Leiden), 1971, p. 275-276.
7 HR 5 november 2010, LJN BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes, rov. 3.4.1.
8 HR 18 juni 2004, LJN AO6913, NJ 2004/585 ([A/B]), rov. 3.5. Zie ook HR 12 december 1997, LJN ZC2524, NJ 1998/208 (Stein/Driessen), rov. 3.6.1; HR 15 januari 1999, LJN ZC2819, NJ 1999/242 (Mastum/Nationale Nederlanden), rov. 3.3.
9 [Eiser] heeft dit aangevoerd in de Conclusie na enquête nr. 18.
10 Memorie van antwoord in het incidenteel appel, p. 6-7. Zie ook reeds Conclusie na enquête nr. 16
11 Het betoog van [eiser] in de memorie na enquête, waarnaar het hof in dit verband in rov. 6 verwijst, kwam hierboven al aan de orde bij 3.3.
12 Zie over de begrippen "grove schuld" en "bewuste roekeloosheid" onder meer Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 365 e.v.; J.H. Duyvensz, 'Exoneratie en bewuste roekeloosheid', WPNR 2011 (6878), p. 225 e.v.
13 Vgl. HR 5 september 2008, LJN BD2984, NJ 2008/480 (Telfort/Scaramea).
14 Voor dat geval bepaalt artikel 18.2 van de bij 1.3.2 bedoelde algemene voorwaarden dat geen beperking van de aansprakelijkheid geldt.
15 Daarnaast heeft [verweerster] gesteld dat twee van haar ondergeschikte werknemers hebben gewaarschuwd voor het algemene gevaar bij stroomuitval (Memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel nrs. 32 respectievelijk 36-38), waarop [eiser] heeft gereageerd in de Memorie van antwoord in het incidenteel appel, p. 7. Zie ook reeds Conclusie na enquête nr. 16. Het al dan niet gegeven zijn van een waarschuwing heeft het hof echter voor zijn oordeel niet nodig gehad blijkens rov. 8, laatste volzin, van het tussenarrest.
16 Vgl. HR 31 december 1993, LJN ZC1210, NJ 1995/389 m.nt. C.J.H. Brunner (Matatag/De Schelde), rov. 3.2.