ECLI:NL:PHR:2012:BV6698
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijskracht aanvullende arbeidsovereenkomst en parafering als ondertekening
De zaak betreft een geschil tussen [eiser], voormalig directeur-grootaandeelhouder van Grapofex, en BASF Nederland B.V. over de omvang van pensioenverplichtingen voortvloeiend uit een aanvullende arbeidsovereenkomst. Na verkoop van aandelen Grapofex aan Ciba is een arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht gesloten, inclusief een aanvullende arbeidsovereenkomst die onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de aanvullende arbeidsovereenkomst niet dwingend bewijs oplevert omdat deze niet door partijen is ondertekend, maar slechts geparafeerd door een niet-Nederlands sprekende medewerker van Ciba, die geen partij was bij de aanvullende overeenkomst. Het hof concludeerde dat er geen backserviceverplichting is overeengekomen, mede omdat de aanvullende overeenkomst niet integraal deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst en niet expliciet was besproken of goedgekeurd door Ciba.
In cassatie betoogde [eiser] dat parafering onder omstandigheden als ondertekening kan gelden en dat het hof ten onrechte het ontbreken van een handtekening op de bijlagen als belemmering zag. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat dwingende bewijskracht alleen geldt voor ondertekende akten door partijen bij die akte, en dat de parafering door een niet-partij geen ondertekening is. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de aanvullende arbeidsovereenkomst heeft geen dwingende bewijskracht en er is geen backserviceverplichting overeengekomen.