ECLI:NL:PHR:2012:BV6769
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en regres bij hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurder en vennootschap
De zaak betreft een curator die namens een failliete vennootschap (CFT) een vordering instelt tegen een voormalige bestuurder wegens onbehoorlijke taakvervulling en een regresvordering op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid. De feiten betreffen handelen in de periode 1989-1991, waarbij CFT en de bestuurder onrechtmatig jegens een derde partij ([C]) hebben gehandeld, wat leidde tot een veroordeling en schadevergoeding.
De curator startte de procedure in 2007, ruim na het faillissement in 2002, waardoor de vraag van verjaring centraal stond. De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen zodra de vennootschap bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon, en niet pas wanneer de curator zelf kennis neemt. De verlenging van de verjaringstermijn na het aftreden van de bestuurder werd niet ambtshalve toegepast omdat het moment van aftreden niet was vastgesteld.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de regresvordering van de vennootschap op de bestuurder niet toewijsbaar is, omdat onvoldoende is gesteld dat de vennootschap slechts als instrument diende van de bestuurder. De winst kwam toe aan de vennootschap en de rechtbank had CFT niet met de bestuurder vereenzelvigd. De betaling van een boete door de bestuurder in mindering op de schadevergoeding is een overeenkomst tussen bestuurder en derde en niet relevant voor de interne verhouding met de vennootschap.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de vordering van de curator is verjaard en de regresvordering niet toewijsbaar is.