ECLI:NL:PHR:2012:BV6801
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verlies Nederlandse nationaliteit na Surinaamse onafhankelijkheid
Verzoeker, geboren in Suriname in 1957 en zoon van een Nederlandse vader, stelde dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit omdat hem in 2006 een Nederlands paspoort was verstrekt. De Staat betoogde dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit verloor bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, toen hij de Surinaamse nationaliteit verkreeg op grond van de Toescheidingsovereenkomst (TOS).
De rechtbank wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af, stellende dat het verkrijgen van een Nederlands paspoort niet leidt tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit en dat verzoeker op 25 november 1975 meerderjarig was en daardoor niet onder de optieregeling van de TOS viel.
In cassatie richt verzoeker zich tegen het oordeel van de rechtbank over de toepassing van de optieregeling en de afwijzing van zijn verzoek om benoeming van een rechter-commissaris. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit van rechtswege verloor en niet herkreeg, en dat de optieregeling niet op hem van toepassing is omdat hij meerderjarig was op het moment van de onafhankelijkheid.
Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit verloren sinds 25 november 1975 zonder deze te herkrijgen.