ECLI:NL:PHR:2012:BV9600
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing art. 479a Rv bij executoriaal derdenbeslag en redelijke vergoeding
Deze zaak betreft een geschil over executoriaal derdenbeslag gelegd door verweerster op aandelen en activa van eiseres en aan haar gelieerde vennootschappen, mede vanwege een vordering uit hoofde van verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden. De kern van het geschil is de toepassing van artikel 479a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat bepaalt dat een schuldenaar die werkzaamheden verricht voor een derde, waarvoor gewoonlijk een vergoeding wordt betaald, een redelijke vergoeding aan die derde verschuldigd is.
In eerste aanleg en hoger beroep werd vastgesteld dat betrokkene 1, schuldenaar, werkzaamheden verrichtte voor eiseres, maar dat onvoldoende onderbouwing was geleverd dat de vergoeding voor deze werkzaamheden door een derde werd betaald. Het hof veroordeelde eiseres tot betaling van een marktconforme vergoeding van circa € 110.000 netto per jaar, oftewel € 9.000 per maand, aan verweerster.
Eiseres stelde in cassatie diverse middelen aan de orde, waaronder dat betrokkene 1 sinds november 2006 in dienst was van een derde partij (Combofol) en dat de vergoeding voor zijn werkzaamheden door deze derde werd betaald. De Hoge Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd en dat het hof terecht had geoordeeld dat eiseres een redelijke vergoeding verschuldigd was. Ook werd geoordeeld dat de stelplicht en bewijslast bij eiseres lagen om haar betwistingen te onderbouwen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat eiseres gehouden is tot betaling van de redelijke vergoeding op grond van artikel 479a Rv. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor een deel wegens termijnoverschrijding, en de overige middelen faalden inhoudelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat eiseres een redelijke vergoeding verschuldigd is op grond van art. 479a Rv.