ECLI:NL:PHR:2012:BV9768

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05157
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 351 lid 5 FwArt. 354 FwArt. 358 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder verlening van schone lei wegens niet-nakoming sollicitatieplicht

Op 23 mei 2008 is een schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoeker. De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 26 augustus 2011 de schone lei ontzegd omdat verzoeker toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn in zijn sollicitatieverplichtingen. Het hof heeft dit vonnis bij arrest van 15 november 2011 bekrachtigd, stellende dat ondanks psychische problemen niet aannemelijk was dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt was.

Verzoeker kwam tijdig in cassatie en voerde twee klachten aan: ten eerste dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het betalingspercentage en belastingteruggave niet tot verlening van de schone lei konden leiden; ten tweede dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat verzoeker onvoldoende had gesolliciteerd, ondanks overlegde sollicitatiebewijzen.

De Hoge Raad oordeelt dat het enkele feit dat een deel van de schulden is afbetaald, waaronder een belastingteruggave, niet afdoet aan de verplichting om zich maximaal in te spannen om inkomsten te genereren. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de sollicitatieplicht een inspanningsverplichting inhoudt, welke verzoeker niet voldoende is nagekomen. Ook het argument dat communicatieproblemen en psychische klachten het moeilijk maken om te solliciteren, leidt niet tot een ander oordeel. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontzegging van de schone lei wegens niet-nakoming van de sollicitatieplicht.

Conclusie

11/05157
Mr. L. Timmerman
Parket: 22 februari 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
1. Op 23 mei 2008 is ten aanzien van [verzoeker] de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 26 augustus 2011 heeft de rechtbank 's-Gravenhage [verzoeker] de schone lei ontzegd, omdat hij toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de uit de schuldsanering voortvloeiende sollicitatieverplichtingen. Het hof heeft bij arrest van 15 november 2011 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat schone lei verlening niet op zijn plaats is omdat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen., in het bijzonder zijn sollicitatieverplichting. Daarbij neemt het hof aan dat [verzoeker] psychische problemen heeft, maar oordeelt het dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] volledig arbeidsongeschikt is. [Verzoeker] is van dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(1)
2. In cassatie worden twee onderdelen tegen 's hofs arrest aangevoerd. Onderdeel 1 klaagt dat 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd is, nu het hof zonder motivering is voorbijgegaan aan het feit dat [verzoeker] een betalingspercentage zou hebben laten zien van meer dan 60% en dat er binnen afzienbare tijd nog een teruggave van de Belastingdienst zal plaatsvinden. N.m.m. behoeft het geen toelichting dat het (enkele) feit dat een schuldenaar gedurende de schuldsaneringstermijn een deel van zijn schulden weet af te betalen, niet wegneemt dat de schuldenaar zich - in de woorden van het hof - "tot het uiterste" dient in te spannen om zoveel mogelijk inkomsten voor de boedel te genereren. Pas op het moment dat hetzij de schuldsaneringstermijn verstrijkt, hetzij de rechter de schuldsaneringsregeling beëindigt (in het meest gunstige geval: om reden dat de schuldenaar al zijn schulden heeft afgelost), houdt deze verplichting op. De klacht snijdt in zoverre dan ook geen hout. Ik merk overigens op dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 november 2011 blijkt dat de aflossing niet zozeer te danken is aan een inspanning aan de zijde van [verzoeker], maar een belastingteruggave betreft.
3. Daarnaast klaagt het onderdeel dat het hof in rov. 3 heeft miskend dat [verzoeker], voor zover dat binnen zijn vermogen lag, wel degelijk heeft gesolliciteerd. Ten bewijze daarvan zou hij ter zitting een lijst met bedrijven en sollicitatiebewijzen hebben overgelegd. Het hof heeft - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat de sollicitatieplicht inhoudt "dat de saniet actief en aantoonbaar op zoek gaat naar een voltijds betaalde baan dan wel, in het geval van [verzoeker], naar een betaalde baan voor het gedeelte dat hij niet arbeidsongeschikt is verklaard. De sollicitatieactiviteiten bestaan ten minste uit gemiddeld viermaal per maand een schriftelijke sollicitatie (exclusief open sollicitatie) en inschrijving bij het CWI en bij drie à vier uitzendbureaus." 's Hofs oordeel dat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [verzoeker] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichtingen, in het bijzonder in zijn sollicitatieverplichting, is - in het licht van de overgelegde stukken; als ik het goed zie (het onderdeel geeft niet nauwkeurig aan om welke lijst en welke bewijzen het gaat), gaat het om de fax van 26 oktober 2011, met in bijlage een verklaring van [verzoeker] en één sollicitatiebewijs - onjuist noch onbegrijpelijk.
4. Onderdeel 2 klaagt dat 's hofs oordeel in rov. 3 onvoldoende gemotiveerd is, nu het een aantal ter zitting aangedragen feiten onvoldoende heeft onderzocht, dan wel hieruit onjuiste conclusies heeft getrokken. De klacht faalt. Voor zover de omstandigheden al ter zake doen, is het hof daarop ingegaan. Ik merk op dat het feit dat communicatie voor [verzoeker] moeilijk is en hij niet of nauwelijks Nederlands praat, het wellicht moeilijk(er) maakt om een betaalde baan te vinden, maar op zich niet af doet aan de sollicitatieplicht. Zoals het hof terecht heeft overwogen gaat het niet om een resultaats-, maar om een inspanningsverbintenis. Wat de psychische klachten betreft, heeft het hof geoordeeld dat uit de verklaring van de behandelende psychiater niet volgt (en overigens ook niet kan volgen) dat [verzoeker] in het geheel niet in staat is om enige arbeid te verrichten. Dat oordeel wordt niet (deugdelijk) bestreden. Voorts heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] op grond van de toelatingszitting bij de rechtbank, het huisbezoek, de openbaren verslagen en de brieven van de bewindvoerder alsmede het verhoor bij de rechtbank, moet hebben geweten dat hij ondanks zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid moest solliciteren. 's Hofs oordeel dat [verzoeker] zich niet tot het uiterste heeft ingespannen en dat hem terzake een verwijt valt te maken, is in het licht van de klachten dan ook niet onbegrijpelijk.
5. Ik concludeer tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is per fax en per post ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 22 november 2011, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen.