ECLI:NL:PHR:2012:BW0218
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing kennelijk onredelijk ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
In deze zaak staat de vraag centraal of het ontslag van eiser door verweerster kennelijk onredelijk was. Eiser was langdurig arbeidsongeschikt en werd ontslagen tijdens een reorganisatie bij verweerster. Het hof oordeelde dat het ontslag geen bedrijfseconomisch karakter had en niet kennelijk onredelijk was. Eiser voerde aan dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde en onvoldoende rekening hield met de situatie op het moment van ontslag, met name de mate van arbeidsongeschiktheid en de beschikbaarheid van passend werk.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht het ontslag niet als kennelijk onredelijk heeft aangemerkt. Het hof mocht het besluit van UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid dat na het ontslag werd genomen, niet als maatstaf nemen voor de situatie ten tijde van het ontslag. Wel was het oordeel dat eiser onvoldoende had toegelicht welke passende arbeid hij kon verrichten, juist. De Hoge Raad wijst erop dat de toetsing van kennelijk onredelijk ontslag ex tunc plaatsvindt, op het moment van ontslagaanzegging.
Het cassatieberoep faalt ook omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd welke passende functies hij had kunnen vervullen en omdat het hof terecht geen bedrijfseconomisch ontslag aannam. De Hoge Raad benadrukt dat de werkgever niet verplicht is passende arbeid te verzekeren, maar slechts moet bevorderen dat de werknemer wordt ingeschakeld. De eerdere beslissingen van lagere rechters worden bevestigd, en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het ontslag van eiser is niet kennelijk onredelijk.