1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):
(i) Eiser tot cassatie (hierna: [eiser] of de zoon), geboren in 1963, heeft sinds 1984 met zijn vader (hierna: [de vader] of de vader), geboren in 1928, in maatschapsverband een melkveehouderbedrijf uitgeoefend. In april 1988 is een maatschapovereenkomst opgesteld.((2)) Aanleiding hiertoe was mede de inbreng in de maatschap door de vader per 1 mei 1988 van onroerend goed, te weten een woonhuis met ondergrond, bedrijfsgebouwen, erf, tuin en overige grond (landerijen). Het onroerend goed is ingebracht onder voorbehoud van de - toen al aanmerkelijke - stille reserves, indien en voor zover deze nog aanwezig zullen zijn op het moment van het beëindigen van de maatschapovereenkomst of op het moment dat deze, om wat voor reden dan ook, het maatschapvermogen verlaten, een en ander tot een maximumbedrag van fl. 94.000,- voor wat betreft de opstallen met ondergrond, erf en tuin, en van fl. 690.000,- voor wat betreft de overige grond.
(ii) In verband met de wens van [eiser] van bedrijfsopvolging is aan verweerster in cassatie (hierna: A&A), de accountant van de maatschap, gevraagd een nieuw maatschapscontract op te stellen om een (toekomstige) bedrijfsovername door [eiser] financieel te regelen. Dit contract is in juni 1999 is getekend door [eiser], zijn vader, en ook door de broer en zuster van [eiser] en is met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 in werking getreden.((3)) Enkele artikelen daaruit luiden, voor zover van belang, als volgt:
Art 6.I.B.
Vader heeft in de vennootschap ingebracht sedert 1 mei 1988: [etc]
De inbreng is geschied onder voorbehoud van stille reserves, indien en voor zover deze nog aanwezig zullen zijn op het moment dat deze (...) het maatschapsvermogen verlaten, een en ander tot een maximumbedrag van f. 94.000,-- voor wat betreft de opstallen met ondergrond, erf en tuin en een maximumbedrag ad f. 690.000,- voor wat betreft de overige grond.
Art. 12.1.G
De maatschap eindigt door een door de vennoten gezamenlijk genomen besluit tot beëindiging van de maatschap.
Art. 13 (Verdeling liquidatiesaldo)
1. Bij het eindigen van de maatschap wordt naar de toestand van het tijdstip van beëindiging een balans opgemaakt. Op deze balans worden de bezittingen en schulden van de maatschap voor de werkelijke waarde opgenomen.
2. Voor zover de bezittingen en schulden volgens deze balans en volgens de eveneens per gelijke datum overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande artikelen op te maken balans per saldo een verschil in waarde vertonen, wordt dit verschil als volgt verdeeld:
a. allereerst ontvangt vader een vergoeding ter grootte van de door hem in art. 6.1.B voorbebehouden stille reserves (zijnde de stille reserves per de datum van inbreng, te weten 1 mei 1988, indien en voor zover nog aanwezig);
b. [idem zoon]
c. de in de periode 1 mei 1988 tot 1 januari 1998 aangegroeide stille reserves zoals vastgelegd in art. 6.3 komen, indien en voor zover nog aanwezig, ten gunste van vader en zoon, ieder voor een gelijk deel;
d. hetgeen als positief of negatief saldo resteert, wordt als volgt verdeeld:
vader 5%; zoon 95%.
4. Het bepalen van de waarde van de bezittingen en schulden als bedoeld in het eerste lid geschiedt zoveel mogelijk door de vennoten (...) in onderling overleg. Indien de vennoten (...) geen overeenstemming weten te bereiken omtrent de waardebepaling (...) geschiedt deze vaststelling overeenkomstig hetgeen te dien aanzien in art 6.5 werd bepaald. [bindend advies]
Art. 14 (Voortzetting)
2. Indien de maatschap eindigt op een andere wijze dan tengevolge van de hiervoor bedoelde gevallen [overlijden, faillissement, opzegging/ontbinding] kan voortzetting van het bedrijf door een van de vennoten plaatshebben, indien de vennoten daartoe in onderling overleg besluiten.
Art. 15: (Vermogensbeding) [recht op overname van vermogensbestanddelen door voortzettende vennoot]
Art. 16 (Uitkering waarde)
1. Indien wordt gebruik gemaakt van het recht tot voortzetting en verblijving en overname als bedoeld in de artikelen 14 en 15, zal de voortzettende vennoot de waarde van hetgeen aan hem verblijft resp. door hem wordt overgenomen - na aftrek van de door hem overgenomen verplichtingen - voor zover deze waarde aan de uittredende vennoot toekomt, aan de uittredende vennoot moeten uitkeren. Deze waarde zal worden vastgesteld in onderling overleg en indien dat geen resultaat heeft overeenkomstig hetgeen te dien aanzien in art. 6.5 is bepaald. Ten aanzien van de waardevaststelling van de landerijen en productierechten zijn de vennoten nu reeds voor alsdan overeengekomen:
a. dat de waarde van de landerijen zal worden vastgesteld op de waarde in verpachte staat;
2. De hiervoor bedoelde waarde zal aan de uittredende vennoot moeten worden uitgekeerd.
(iii) In 2001 heeft [eiser] het bedrijf willen overnemen. Hij is toen aanvankelijk niet tot overeenstemming over de overdrachtsprijs met zijn vader kunnen komen. Vader heeft zich op de akte van 1999 beroepen en aanspraak gemaakt op een veel groter bedrag aan "uitkoop" dan waarop hij in de visie van [eiser] recht had. De onenigheid had vooral betrekking op de vraag welke waarde voor de landerijen en de overige onroerende zaken diende te worden aangehouden.
(iv) [Eiser] en zijn vader hebben uiteindelijk toch overeenstemming bereikt en hebben op 8 september 2005 een vaststellingsovereenkomst gesloten((4)), waarin onder meer is overeengekomen dat [eiser] alle door vader in de maatschap ingebrachte activa zal overnemen voor een bedrag van € 355.691,- (kosten koper), dat hij € 115.652,- in contanten zal betalen en dat hij het resterende bedrag van € 240.039,- aan vader schuldig zal blijven, welke schuld niet opeisbaar is behoudens in een aantal in de overeenkomst nader omschreven gevallen.
(v) In artikel 4.2 van de vaststellingsovereenkomst is de verplichting voor [eiser] opgenomen om binnen een jaar na ondertekening een procedure tegen A&A te starten op grond van toerekenbaar tekortschieten van A&A bij het aanpassen van het maatschapscontract in 1999.
(vi) Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van A&A zijn in 2004 en 2005 in het kader van een voorlopig getuigenverhoor getuigen gehoord ter zake van de gang van zaken rondom de aanpassing van het maatschapscontract in 1999.((5))