ECLI:NL:PHR:2012:BW1361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Stuiting van de verjaring door uitbrengen dagvaarding ondanks nietigheid
In deze zaak staat centraal de vraag of de verjaring van het recht tot strafvordering is gestuit door een dagvaarding die later nietig werd verklaard. Het tenlastegelegde feit betreft verduistering gepleegd tussen 5 maart 2001 en 2 juni 2001. De dagvaarding werd op 17 december 2002 uitgereikt aan de griffier, maar niet aan de verdachte zelf, waarna de dagvaarding door het Hof nietig werd verklaard omdat niet was geprobeerd de verdachte op het juiste adres te dagvaarden.
De wetswijziging van 1 januari 2006 (Wet van 16 november 2005) heeft het vereiste van betekening of bekendheid voor stuiting van de verjaring afgeschaft. De Hoge Raad oordeelt dat deze wetswijziging direct van toepassing is op feiten die op dat moment nog niet verjaard waren, met behoud van reeds voltooide verjaring. De uitreiking van de dagvaarding aan de griffier geldt als daad van vervolging die de verjaring stuit, ook al is de dagvaarding nietig verklaard.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de verdachte dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting zou hebben gehanteerd en bevestigt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Ook het middel dat de bewezenverklaring onvoldoende zou zijn gemotiveerd faalt, aangezien het Hof voldoende heeft vastgesteld dat de verduistering binnen de bewezenverklaarde periode heeft plaatsgevonden.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de bewezenverklaring. De zaak betreft een belangrijke verduidelijking van de toepassing van de wetswijziging op het gebied van verjaring en stuiting daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verjaring is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding en verklaart het cassatieberoep ongegrond.