5.3. Het Hof heeft in totaal 36 bewijsmiddelen gebezigd, die zowel op het onder 1 als het onder 2 bewezenverklaarde betrekking hebben. De bewijsmiddelen 2 t/m 19 behelzen telkens de aangiften van verschillende bedrijven, inhoudende dat goederen zijn besteld, geleverd en niet zijn betaald. Uit deze aangiften blijkt dat de bestellingen zijn geplaatst door en de goederen zijn geleverd aan de bedrijven [A] (met als contactpersonen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], en [betrokkene 4]), [B] (met als contactpersoon: [betrokkene 5] en [C] B.V. (met als contactpersonen: [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8] en [betrokkene 9]). Kortheidshalve volsta ik bij de weergave van de overige bewijsmiddelen met de volgende selectie:
"1.(..)
20. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V3-02, op 21 april 2005 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 21 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte 2]:
Ik heb telefoontjes gepleegd om goederen te bestellen. Ik wist dat de bestelde goederen na levering niet betaald zouden worden. Ik besefte dus dat ik met foute dingen bezig was. Ik heb wel eens steigers besteld en A4-papier, van alles dus. De goederen die ik bestelde, bestelde ik op naam van een bedrijf. De naam van het bedrijf was [A]. Dit bedrijf was gevestigd in [plaats]. Wij zaten daar meestal met drie personen op kantoor, maar soms met zijn vieren. Ik bestelde de goederen zowel telefonisch als per fax of e-mail. Ik heb mij wel eens uitgegeven onder een andere naam. Het was mijn taak om bedrijven over te halen om in te stemmen met een betaling achteraf. Als de goederen geleverd werden, tekende één van ons voor ontvangst. Ik hield mij met name bezig met het binnenhalen van de goederen.
(...)
22. Het proces-verbaal van verhoor van een verdachte van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V3-04, op 23 april 2005 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 23 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte 2]:
Het doel van [A] was geld verdienen om te gokken en voor levensonderhoud. Wij hebben een keer bij elkaar gezeten in een wegrestaurant. Die twee andere mensen die ook bij [A] werkten, heb ik voor het eerst ontmoet in dat wegrestaurant. [Verdachte 3] was in die tijd een goede vriend van mij. Ik heb hem toen een keer meegenomen en in contact gebracht met andere personen die bij [A] betrokken waren. Een derde van de goederen die ik binnenkreeg nam ik mee en verkocht ik. Dat deed ik meestal via internet en een enkele keer via kennissen. De opbrengst van de goederen die ik verkocht mocht ik houden. Als er meerdere mensen bij het binnenhalen van de goederen betrokken waren was de verdeelsleutel van de opbrengst iets anders. Dan deelde ieder voor een evenredig deel mee in de opbrengst. Het klopt dat [betrokkene 10] in het pand in [plaats] is geweest. Het kan zijn dat zij daar ook [verdachte 3], [verdachte 4] en [verdachte 1] heeft gezien. Het klopt dat ik me bij [A] [betrokkene 2] noemde. Ik heb faxen ondertekend met de naam [betrokkene 2]. Ik heb een beamer besteld. Het klopt dat wij destijds een grote partij Senseo-apparaten besteld hebben. Meestal werden de goederen afgeleverd door vervoersbedrijven. Ik maakte met de leveranciers altijd de afspraak dat ik pas zou betalen als de goederen geleverd zouden zijn. Daarmee bedoel ik niet dat ik direct bij de aflevering zou betalen, maar pas later. Ik heb de bestelling geplaatst onder de naam [betrokkene 2].
(...)
28. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V4-02, d.d. 21 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 21 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte 3]:
[Verdachte 2] vertelde dat hij bedrijven had [en hij] wist een manier om met die bedrijven geld te verdienen waar ik ook wat van zou krijgen. Hij legde me in grote lijnen uit dat hij met een aantal andere personen op naam van één van die bedrijven goederen bestelde. Als er goederen binnen zouden komen, dan zou ik een bedrag krijgen voor mijn werk. [Verdachte 2] vertelde mij dat ik met dat werk een hoop geld kon verdienen. Ik ben op zijn voorstel ingegaan. In eerste instantie was het de bedoeling dat ik directeur van het bedrijf zou worden. Het ging om [A]. In [plaats] werd ik voorgesteld aan [verdachte 1] en [verdachte 4]. [Verdachte 1] had volgens mij een beetje de leiding, gezien hetgeen hij zei. [Verdachte 2] vroeg aan [verdachte 1] of hij mij wilde vertellen wat ik moest gaan doen. Ik kreeg van [verdachte 1] een handgeschreven papiertje met een aantal telefoonnummers die ik moest gaan bellen. Op hetzelfde papiertje stonden naast de telefoonnummers ook de goederen waarvan ik een offerte moest gaan vragen. [Verdachte 1] vertelde mij dat ik me met de naam [betrokkene 4] van [A] moest voorstellen. Ik moest bij het aanvragen van de offertes vragen of ze deze wilden faxen. Als een door mij aangevraagde offerte binnenkwam moest ik hem ondertekenen, waarna [verdachte 1] hem weer terugstuurde. [Verdachte 2] nam de offertes onder de naam [betrokkene 4] van mij over. Op voorstel van [verdachte 1] werd besloten dat ik de goederen die binnenkwamen in ontvangst zou nemen. Ik herinner me dat er pallets met papier bij ons werden gebracht. Normaal kreeg ik mijn geld van [verdachte 2]. Als [verdachte 2] een keer geen geld had, kreeg ik het geld van [verdachte 1]. Ik heb meerdere keren getekend met de naam [betrokkene 4]. De binnengekomen goederen werden door [verdachte 1], [verdachte 2] en [verdachte 4] meegenomen. Er werd veel over het uitblijven van betalingen gebeld [en] er werd dan veelvuldig gezegd dat de betaling onderweg was. Het werd me wel duidelijk dat het de bedoeling was om de leveranciers helemaal niet te betalen. Ik denk dat de eerste partij die door [E] is geleverd een partij papier is geweest, die ik mogelijk besteld heb. Dit is één van de bestelling[en] van het lijstje van [verdachte 1]. Ik herken mijn eigen handtekening op het papier. Ik herken de handtekening met de naam [betrokkene 4] als een handtekening die ik gezet heb. Het klopt dat er Senseo-apparaten bij [A] zijn afgeleverd. De Senseo-apparaten werden dezelfde dag weer opgehaald en weggebracht. Het klopt dat ik 1 of 2 keer de ontvangstformulieren van de apparaten heb ondertekend. Ik weet dat [verdachte 2], [verdachte 1] en [verdachte 4] overleg hadden over hoeveel ze er telkens zouden bestellen. Ik ben met betrekking tot [B] opgebeld door [verdachte 2]. Ze waren op dat moment bezig met het opzetten van het bedrijf [B]. Het was de bedoeling dat ik bij [B] weer spullen zou gaan ophalen en gaan wegbrengen. Ik ben aangehouden met betrekking tot het ophalen van een steiger. Ik hoorde dat [verdachte 1] zich voordeed als [F]. [Verdachte 2] deed zich voor als [G]. [Verdachte 4] heeft de naam [H] gebruikt bij [B].
(...)
30. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V-05-01, d.d. 20 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 20 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte 4]:
[A] was [gevestigd] aan de [a-straat] in een bedrijvenverzamelgebouw op een bedrijventerrein in [plaats]. [Er] werden goederen besteld die nooit werden afgerekend. Ik bestelde goederen bij bedrijven. Deze bedrijven zocht ik op in telefoongidsen. We zaten met vier of vijf mensen in [plaats]. Offertes kwamen per fax of per post binnen. Alle goederen die binnengehaald konden worden en voldeden aan de betalingscondities, moesten ook binnengehaald worden. Als er aanbetaald of betaling vooraf moest worden gedaan, werd met die offerte niets gedaan. Ik wist dat die bestelde goederen nooit betaald zouden worden. Ik was niet de enige die bestellingen deed. Er waren vier of vijf mensen die dit deden. Per post of fax of telefoon werd een order geplaatst. Ik moest ook de orderbevestiging tekenen. Je mocht niet je eigen naam gebruiken. Aflevering van de bestelde goederen moest altijd de 2e helft van de maand, dit had te maken met de betalingscondities en de leveringstermijn. Als de leveringstermijn niet binnen de 2e helft van die maand viel werd de offerte weggegooid en de goederen niet besteld. Dit was ook zo met de offertes waarin om contante betaling werd gevraagd.
31. Het proces-verbaal van verhoor van de Belastingdienst/FIOD-ECD, Kantoor Alkmaar, dossiernummer 33513, codenummer V-05-02, d.d. 20 april 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: als de op 20 april 2005 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte 4]:
Half december 2003 heb ik met mijn vriend [verdachte 1] contact gehad in restaurant De Biltse Hoek in Bilthoven. Bij dit gesprek was verder aanwezig [verdachte 2]. Wij hebben gesproken wat wij zouden moeten doen. Er werd mij toen duidelijk dat het ging om het bestellen van goederen die niet werden afgerekend. [Verdachte 2] vertelde dat zij een BV in de buurt van Rotterdam gingen regelen waarmee goederen zouden worden besteld, die natuurlijk niet werden betaald. Die goederen werden dan weer verkocht. Het bedrijf is [A] geworden. De bedoeling was als volgt:
- Het bedrijf moest ongeveer een maand gaan draaien;
- Goederen bestellen met een betaaltermijn van 14 dagen na aflevering;
- Aflevering van de goederen moest plaatsvinden in de 2e helft van die maand;
- De leveranciers moesten niet betaald;
- Vervolgens werden de goederen, vooral via internet, verkocht en de winst opgestreken;
- Het bedrijf laten verdwijnen.
We zijn in [plaats] in februari 2004 begonnen. [Verdachte 2] kwam al snel met [verdachte 3]. Wij, [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 1] en ik, zijn bedrijven gaan benaderen en bestelden goederen. Daarbij gebruikten we valse namen. Ikzelf gebruikte toen de naam [I]. In, ik denk april 2004, werd het kantoor van [A] in [plaats] door ons leeggehaald en is het pand verlaten. Wij kregen een deel van de opbrengst van de goederen. In mei 2004 kwam [verdachte 2] met een nieuw bedrijf waarmee we, dan bedoel ik [verdachte 2], [verdachte 1], [verdachte 3] en ikzelf, hetzelfde gingen doen. Het bestellen van goederen en deze niet betalen maar doorverkopen en wegwezen. Dit bedrijf was [B] [en] zat in Utrecht. De straat was [b-straat]. [B] heeft maar kort gedraaid, volgens mij maar drie weken, omdat [verdachte 3] toen werd gepakt met een steiger. Ook bij [B] werden weer valse namen gebruikt.
(...)"