ECLI:NL:PHR:2012:BW2467

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02668
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijke verkoop van XTC-middelen

Verdachte werd door het Gerechtshof te Leeuwarden bij verstek veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 Opiumwet Pro, specifiek voor de verkoop, aflevering, verstrekking en het vervoer van een hoeveelheid materiaal bevattende MDA, MDMA, N-ethyl MDA en/of cocaïne en amfetamine.

De verdediging stelde cassatie in met het middel dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid, omdat de bewijsmiddelen alleen spraken over XTC-pillen en XTC, zonder specifieke vermelding van de genoemde stoffen. Het hof had ten onrechte aangenomen dat deze stoffen bewezen waren, terwijl onder de naam XTC ook middelen met andere werkzame bestanddelen worden verkocht.

De Hoge Raad concludeerde dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen volgt en dat het middel gegrond is. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het arrest. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens onvoldoende bewijs voor opzettelijke verkoop van specifieke XTC-middelen; zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 10/02668(1)
Mr. Silvis
Zitting 6 maart 2012
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is bij arrest van 1 november 2005 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek.
2. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, nu de bewijsmiddelen niets inhouden waaruit kan worden afgeleid dat verzoeker opzettelijk een hoeveelheid van "een materiaal bevattende MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA" heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.
4. Het hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 13 mei 2003, in Nederland, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of een hoeveelheid cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde cocaïne en tenamfetamine en MDMA en N-ethyl-MDA en amfetamine telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."
5. Zorgvuldige lezing van de bewijsmiddelen leert dat daarin - voor zover voor het middel van belang - enkel wordt gesproken over XTC-pillen en XTC. De begrippen MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA komen nergens in de gebezigde bewijsmiddelen voor. Onder de benaming XTC worden ook middelen verkocht met andere werkzame bestanddelen. Het bewezenverklaarde kan derhalve niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen.(2)
6. Het middel is dus terecht voorgesteld.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terug- dan wel verwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen verdachte 10/02675, waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Vgl. HR 25 november 2003, LJN: AM2764; HR 15 november 2005, LJN: AU3482.