ECLI:NL:PHR:2012:BW4003

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/05681
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 419 lid 3 RvArt. 429 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontheffing uit ouderlijke macht na afweging van belangen van jong kind

In deze zaak staat de ontheffing uit de ouderlijke macht van de moeder ten aanzien van haar jonge dochter centraal. De moeder heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof dat deze ontheffing heeft uitgesproken. De Hoge Raad toetst of het hof een deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt en of het oordeel voldoende is gemotiveerd.

Het hof heeft vastgesteld dat het belang van het kind bij een stabiele en bestendige opvoedingssituatie zwaarder weegt dan het streven naar terugkeer naar de ouders, zeker wanneer er ernstige twijfel bestaat over de opvoedingsgeschiktheid van de ouders. De klachten van de moeder dat zij onvoldoende kans heeft gekregen om te bewijzen dat zij een goed opvoedingsmilieu kan bieden, worden door de Hoge Raad verworpen. Het belang van het kind staat voorop en kan het belang van de ouders overstijgen.

De Hoge Raad concludeert dat het hof op een verantwoorde en begrijpelijke wijze de feiten heeft gewogen en dat de klachten van de moeder niet tot cassatie leiden. De cassatie wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. De zaak benadrukt het belang van het kind bij beslissingen over ouderlijke macht en bevestigt dat terugkeer naar de ouders niet altijd het uitgangspunt is wanneer het kind elders een stabiele situatie heeft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de cassatie en bevestigde de ontheffing uit de ouderlijke macht vanwege het belang van het kind bij een stabiele opvoedingssituatie.

Conclusie

Zaaknr. 11/05681
Mr. Huydecoper
Zitting van 20 april 2012
Conclusie inzake
[De moeder]
verzoekster tot cassatie
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming
te Groningen
verweerder in cassatie
1. De cassatieklachten in deze zaak stellen geen vragen aan de orde die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven. Ik merk die klachten verder aan als ongegrond; en ook overigens als van dien aard, dat het in dit geval verantwoord is om te volstaan met een verkorte conclusie.
2. Daarmee wil ik bepaald niet suggereren dat er in deze zaak geen wezenlijke problemen aan de orde zijn. De zaak betreft de ontheffing uit de ouderlijke macht van de verzoekster tot cassatie, [de moeder], wat betreft haar nog zeer jeugdige dochter [de dochter] (geboren op [geboortedatum] 2008).
Het hof heeft echter in de in cassatie bestreden uitspraak een op deugdelijke afweging en onderzoek gebaseerde beslissing gegeven. De daartegen in cassatie gerichte klachten leveren het in alinea 1 hiervóór aangegeven beeld op. Ik geef ter toelichting het volgende overzicht:
3. Alinea 5.3 van het cassatierekest(1) bevat feitelijke betwisting van enkele bevindingen van het hof. Deze klachten stuiten af op art. 419 lid 3 Rv Pro. jo. art. 429 lid 2 Rv Pro.(2).
In alinea 5.4 wordt gesuggereerd dat er geen "Eindverslag" als bedoeld in rov. 11 zou zijn. Een uitgebreide rapportage die de titel "Eindverslag" heeft, bevindt zich echter wel in het dossier.
4. Alinea's 5.4 - 5.8 van het cassatierekest strekken er alle toe dat miskend zou zijn dat kinderbeschermingsmaatregelen zoals in deze zaak aan de orde steeds gericht zouden moeten zijn op terugkeer van het kind in de door het middel kennelijk als "normaal" gekwalificeerde opvoedingsrelatie bij (dat wil zeggen: in huis bij) de "eigen" ouders, en dat het streven naar deze terugkeer bij maatregelen als bedoeld, steeds prioriteit zou moeten krijgen.
5. Deze klachten berusten op een verkeerde rechtsopvatting. Het is helaas een realiteit, dat het zich kán voordoen dat de belangen van een kind te zeer worden bedreigd wanneer de opvoedingsrelatie ten huize van de "eigen" ouders wordt gecontinueerd of hervat, en dat dan met het oog op het zwaarder wegende belang van het kind moet worden besloten om af te zien van beleid dat op terugkeer in deze opvoedingssituatie gericht is.
Deze realiteit is ook in de rechtsleer, en daarmee in het geldende recht geaccepteerd.
6. Een zwaarwegende factor in dit verband vormt het feit, dat (jonge) kinderen een sterke behoefte hebben aan bestendigheid en zekerheid/veiligheid in hun opvoedingssituatie (waarbij ook de mogelijkheid van hechting aan de opvoeders in de eerste levensjaren van groot belang is). Deze gegevens kunnen opleveren dat het niet verantwoord is, een eenmaal bestendig gegroeide opvoedingssituatie buiten het oorspronkelijke ouderlijke gezin, nog te wijzigen. Dat is a fortiori het geval wanneer de wijziging gericht zou zijn op plaatsing bij de "eigen" ouders in een fase waarin serieuze twijfel over de geschiktheid van die ouders als opvoeders, gerechtvaardigd is.
7. Anders dan de hier bedoelde alinea's uit het cassatierekest stellen dan wel suggereren, brengen de zojuist aangeduide gegevens mee dat de "eigen" ouders slechts in beperkte mate kunnen verlangen dat er, ten koste van een bestaande bestendige "alternatieve" opvoedingssituatie van het kind, pogingen worden ondernomen tot terugplaatsing met het oog op onderzoek, dan wel met het oog op ondersteuning van de "eigen" ouders bij het ontwikkelen of verbeteren van hun vaardigheden als opvoeders.
De vraag of aan verlangens als hier bedoeld tegemoet moet worden gekomen, kan slechts aan de hand van feitelijke weging van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Die weging heeft het hof in deze zaak op een verantwoorde en begrijpelijke wijze verricht.
8. Een vergelijkbaar betoog werd aangevoerd in de zaak waarover in HR 30 maart 2012, rechtspraak.nl LJN BV3405 (met toepassing van art. 81 RO Pro) werd beslist. Ik veroorloof mij uit de conclusie voor die beslissing het volgende aan te halen:
"12. Ook wordt in deze klacht (en hier en daar elders in het middel) geklaagd - in mijn parafrase - dat (X) c.s. nooit de kans is geboden "te bewijzen" dat zij een goed opvoedingsmilieu voor de kinderen kunnen bieden.
Dat dit geen steekhoudende klacht is, behoeft eigenlijk geen toelichting; maar omdat betogen van deze strekking vaak worden aangevoerd, ben ik zo vrij er nog iets meer van te zeggen.
Primerend in zaken als de onderhavige is het belang van de kinderen(3). Als de omstandigheden zich zo hebben ontwikkeld dat dat belang - in uitgesproken mate - méér gediend is met opvoeding door anderen dan de ouders, geeft dat de doorslag. Dat de ouders het spijtig vinden dat hun de kans is onthouden om een beter opvoedingsklimaat te bieden (dan zij, althans aanvankelijk, in feite bleken te kunnen bieden) is te begrijpen; maar dat is in zo'n geval rechtens niet van veel betekenis."
9. Op deze bedenkingen stuiten de verschillende klachten uit alinea's 5.4 - 5.8 van het cassatierekest alle af. Dat betekent dat Middel I in zijn geheel ongegrond is.
Middel II bouwt op Middel I voort. Het is om dezelfde redenen ongegrond.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 In de eerdere gedeelten van het rekest tref ik geen klachten aan.
2 Anders dan in deze alinea wordt gesuggereerd, heeft het hof blijkens rov. 10 wel aandacht besteed aan het betoog, van de kant van [de moeder], dat [de dochter] mogelijk "Breath Holding Spells" (dat is de "medische oorzaak of verklaring" die in deze alinea wordt bedoeld) zou vertonen; maar heeft het dit betoog in het licht van de medische rapportages als onaannemelijk beoordeeld.
Ik merk overigens op dat de producties bij het beroepschrift waarnaar het cassatierekest in alinea's 5.3 en 5.4 verwijst, niet in het in cassatie beschikbare dossier zijn aangetroffen.
3 Dat dan ook in voorkomend geval het belang van de ouders kan "overvleugelen", zie bijvoorbeeld EHRM 6 juli 2010, zaak nr. 41615/07, Neulinger c.s./Zwitserland, rov. 134 en 135.
(NB: de voetnootnummering in de onderhavige conclusie wijkt af van die in de conclusie uit LJN BV3405. Voor de onderhavige zaak is overigens ook rov. 136 uit het aangehaalde arrest van het EHRM verhelderend.)