1 Zie rov. 2.1-2.5 van het vonnis van de rb. Arnhem van 8 juli 2009. Het hof heeft geen feiten vastgesteld.
2 Voor zover in cassatie van belang. Zie de arresten van het hof Arnhem van 4 mei 2010 onder 2.1-2.6, van 12 oktober 2010 onder 1.1-1.6 en van 11 januari 2011 onder 1.1-1.5.
3 Na vermeerdering van eis en voor zover in cassatie van belang.
4 Ieder afzonderlijk.
5 C.q. verstek laten gaan.
6 Zie deze conclusie onder 1.5.
7 Zie rov. 3.2 van het vonnis van de rb. Arnhem van 8 juli 2009.
8 Met dien verstande dat [eiseres] c.s. zijn veroordeeld tot het aanvullen/verbeteren van hun verklaringen conform het gevorderde. Voor het geval zij weigeren deze verklaringen te doen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, worden zij veroordeeld tot betaling conform het gevorderde.
9 Deze rolbeslissing valt, gelet op de aard van de daarin gegeven beslissing, aan te merken als een arrest. Vergelijk HR 2 maart, LJN BU8176 (NJ 2012, 158) rov. 3.4.
10 De cassatiedagvaarding is op 11 april 2011 uitgebracht.
11 Nr. 25-27.
12 Zie de cassatiedagvaarding, nr. 28.
13 HR 9 september 1994, LJN ZC1439 (NJ 1995, 6).
14 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 117; Snijders/Wendels, 2009, nr. 167-168.
15 Memorie in het incident, p. 2, vierde en vijfde alinea.
16 Memorie in het incident, § 1.5, 1.6 (p. 5) en 1.7.
17 Brief van 18 oktober 2010, p. 2, vierde, vijfde en zesde alinea.
18 Brief van 18 oktober 2010, p. 3, tweede alinea.
19 Zie rov. 1.3 van het eindarrest.
20 Zie ook § 1.12 (p. 10) van de memorie in het incident: "Zelfs een oproeping na de conclusiewisseling in hoger beroep - het[geen] hier geen geval is - kan nog tijdig zijn."
21 Zie de hiervoor in de noten 15 en 16 genoemde vindplaatsen, alsmede de brief van [eiseres] c.s. van 18 oktober 2010, p. 3, vierde alinea. In zijn s.t. heeft de Ontvanger onder 3.20 gemotiveerd gesteld dat en waarom hij de memorie in het incident niet heeft opgevat als een memorie die grieven bevat. Zie HR 6 februari 2009, LJN BG6231 over het belang hoe de wederpartij een passage opvat/behoeft op te vatten.
22 Zie Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek 1, Titel 2, tiende afdeling, aant. 1. onder verwijzing naar Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 377 en A.L.H. Ernes en A.W. Jongbloed, Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, 2011, p. 263.
23 Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek 1, Titel 2, tiende afdeling, aant. 2 en 6. Zie ook H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 179; zij merken op p. 207 op dat of een incident voorafgaande aan het materiële geschil wordt afgedaan, aan het beleid van de rechter is overgelaten, maar dat dit in de praktijk in veruit de meeste gevallen wel pleegt te geschieden. Zie voor voorbeelden van incidenten die wel of niet tegelijk met de hoofdzaak dienen te worden beslist o.a. Burgerlijke Rechtsvordering, G. Snijders, Boek 1, Titel 2, tiende afdeling, aant. 6 en Ernes en Jongbloed, a.w., p. 261.
24 HR 2 maart 2012, LJN BU8176, rov. 3.5.2.
25 Zie over derdenbeslag F.H.J. Mijnssen, Materieel beslagrecht, 2003, hoofdstuk III; L.P. Broekveldt, Derdenbeslag, diss. 2003; A.W. Jongbloed, Executierecht, 2011, hoofdstuk 4B. Zie ook mijn conclusies vóór HR 21 januari 2005, LJN AR2776 (NJ 2006, 310 m.nt. H.J. Snijders) onder 3.2 e.v. en vóór HR 30 november 2001, LJN AD3953 (NJ 2002, 419 m.nt. H.J. Snijders) onder 2.6 e.v.
26 Zie over het doen van verklaring Broekveldt, a.w., § 5.3.3.
27 Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 174. Zie ook p. 179-180.
28 Burgerlijke rechtsvordering, Van Mierlo, art. 475, aant. 14.
29 Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 181.
30 Vergelijk Jongbloed, a.w., p. 72.
31 Zie daarover Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 19; Burgerlijke Rechtsvordering, Tjong Tjin Tai, art. 118, aant. 2;
32 M.O.J. de Folter, Gedwongen tussenkomst, 2001, p. 48.
33 Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 672. Zie ook T.A.W. Sterk, "Nieuwe gevallen van derden in het geding" in: J.P. Wijn & J.J. Stael, Met grond verbonden, 1991, p. 126.
34 A.w., p. 459 en 460.
35 LJN AF2159 (NJ 2003, 244). Zie over dit arrest M.O.J. de Folter, Vrijwaring en interventie, 2009, p. 203.
36 LJN AR4035 (NJ 2005, 297).
37 Burgerlijke Rechtsvordering, art. 118, aant. 3.
38 LJN BM7671, rov. 3.6.
39 LJN BU8176 (NJ 2012, 158).