ECLI:NL:PHR:2012:BW4208
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Weigering schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw bij schuldenaar
Verzoeker, een alleenstaande man met een eenmanszaak in ambulante handel, vroeg toelating tot de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €52.000. De rechtbank wees het verzoek af omdat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan van zijn schulden. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de situatie die tot de schulden leidde onder controle had gekregen.
De schulden betroffen onder meer een terugvordering van een uitkering door de gemeente wegens schending van de inlichtingenplicht. Het hof oordeelde dat de omstandigheden die verzoeker aanvoerde, zoals het ontbreken van een auto en het verbroken contact met zijn ex-partner, onvoldoende waren om aan te nemen dat hij zijn schulden onder controle had. Verzoeker kwam hiertegen in cassatie, maar het cassatieberoep strandde omdat het hof een discretionaire bevoegdheid heeft om de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro niet toe te passen.
De Hoge Raad benadrukte dat voor toepassing van deze clausule vereist is dat de schuldenaar objectiveerbare maatregelen heeft getroffen en blijk geeft van persoonlijke ontwikkeling die de problematische situatie onder controle brengt. De enkele wijziging van externe omstandigheden volstaat niet. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt geweigerd wegens het ontbreken van goede trouw en onvoldoende controle over de schuldsituatie.