ECLI:NL:PHR:2012:BW4981
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verlenging partneralimentatie afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing financiële noodzaak
De vrouw en de man zijn in 1978 gehuwd en in 1998 gescheiden. De man was verplicht om gedurende twaalf jaar partneralimentatie te betalen, welke eindigde op 3 juli 2010. De vrouw verzocht om verlenging van deze alimentatie tot 2014 en daarna een lager bedrag tot 2017. Zowel de rechtbank als het hof wezen dit verzoek af omdat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij financieel niet in staat was om zonder alimentatie te voorzien in haar levensonderhoud.
De vrouw stelde dat zij haar bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ontvangen vermogen had verbruikt en zelfs een negatief vermogen had, mede door haar psychische gesteldheid. Het hof oordeelde dat zij deze stellingen onvoldoende had onderbouwd, onder meer omdat zij geen inzicht gaf in haar vermogenspositie en de relatie met een mede-eigenaar van haar woning onduidelijk bleef. Ook de medische verklaringen ondersteunden niet dat haar psychische gesteldheid haar handelingsonbekwaam maakte.
De Hoge Raad bevestigde dat de stelplicht bij de vrouw lag en dat het hof het oordeel voldoende had gemotiveerd. De klachten van de vrouw over het oordeel dat zij niet alles had gedaan om financiële zelfstandigheid te bereiken, werden verworpen. De Hoge Raad concludeerde dat de beëindiging van de alimentatie weliswaar ingrijpend is, maar niet zo ingrijpend dat verlenging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid noodzakelijk is.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van financiële noodzaak.