ECLI:NL:PHR:2012:BW4994
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op vernietiging kredietovereenkomst wegens dwaling
De zaak betreft een geschil tussen eiser en ING Bank over de kredietovereenkomst van 3 september 2002. Eiser vorderde primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk was ontbonden of vernietigd, subsidiair vernietiging of ontbinding op die gronden. Het hof Amsterdam wees deze vorderingen af en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Eiser stelde in cassatie diverse middelen aan de orde die onder meer de feitenvaststelling van het hof, de beoordeling van het beroep op dwaling en het al dan niet schenden van de zorgplicht van ING betroffen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de feiten naar zijn oordeel voldoende en begrijpelijk had vastgesteld en dat het beroep op dwaling niet slaagde omdat de essentiële punten van de kredietovereenkomst duidelijk waren besproken.
Daarnaast faalden de klachten over het niet toelaten van bewijs en het beroep op misbruik van omstandigheden. De Hoge Raad benadrukte dat de Wet Financiële Dienstverlening ten tijde van het krediet nog niet van kracht was en dat de stellingen van eiser onvoldoende waren gespecificeerd. Het arrest bevestigt dat ING haar zorgplicht niet heeft geschonden en dat de kredietovereenkomst geldig blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.