ECLI:NL:PHR:2012:BW5001
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wederrechtelijk binnendringen in besloten lokaal met diefstalopzet
Op 27 augustus 2009 werd verdachte betrapt in het sorteercentrum van bedrijf [A] te Utrecht, waar hij met de intentie mobiele telefoons te stelen het pand binnenging. Hij werd gezien terwijl hij dozen uit rolcontainers haalde en een roldeur opende om het pand te verlaten. Verdachte verklaarde zelf dat hij wist dat hij niet in het pand mocht zijn en dat hij de intentie had te stelen.
Het Gerechtshof Amsterdam veroordeelde verdachte wegens wederrechtelijk binnendringen in een besloten lokaal, gelegen aan de [a-straat 1] te Utrecht, tot een gevangenisstraf van één week. Verdachte stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan art. 138 Sr Pro en dat het bewijs onvoldoende was om het binnendringen te bewijzen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het binnendringen bestond uit het betreden van het pand tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende, mede gelet op de intentie tot diefstal en de wetenschap van verdachte dat hij niet binnen mocht zijn. Het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gegeven en het bewijs was toereikend.
Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen. De veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens wederrechtelijk binnendringen met diefstalopzet.