ECLI:NL:PHR:2012:BW5357
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst en huurbetaling bij casco-woonruimte met onderhuur
In deze zaak gaat het om een mondelinge huurovereenkomst uit 2005 betreffende vier verdiepingen van een monumentaal pand, waarbij de verhuurder verantwoordelijk was voor herstel van de buitenzijde en fundering, en de huurders voor herstel en verbouwing van de binnenzijde. De huurders zouden de woonruimte exploiteren via onderhuur. De verhuurder vorderde ontbinding wegens wanbetaling en betaling van huur en schadevergoeding, welke vorderingen in eerste aanleg en hoger beroep werden toegewezen.
De Hoge Raad bespreekt de toepasselijkheid van de wettelijke bepalingen omtrent huur van woonruimte, met name art. 7:204 lid 2 BW Pro jo. art. 7:242 lid 1 BW Pro, die huurders beschermen tegen wezenlijke gebreken. De Hoge Raad overweegt dat deze bescherming in beginsel niet geldt voor huur met het oog op exploitatie via onderhuur. Tevens wordt benadrukt dat de huurder huur verschuldigd is vanaf het moment dat de verhuurder haar werkzaamheden heeft voltooid en de huurder in de gelegenheid is gesteld zijn werkzaamheden uit te voeren, ongeacht of de woonruimte al bewoonbaar is.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de bewijslast rust op de partij die zich op een bepaalde uitleg van de overeenkomst beroept, en dat het hof de uitleg van de verhuurder als voorshands bewezen heeft beschouwd. De klachten over een onjuiste bewijslastverdeling en bewijswaardering worden deels gegrond verklaard, maar leiden niet tot een andere uitkomst. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en bevestigt dat huur verschuldigd is vanaf voltooiing van de werkzaamheden door de verhuurder en terbeschikkingstelling aan de huurder.