ECLI:NL:PHR:2012:BW5518
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over compensatie bij langdurige vluchtvertraging en prejudiciële vragen EU-recht
Deze zaak betreft het recht op compensatie voor passagiers van Transavia die een vlucht van Gran Canaria naar Rotterdam met aanzienlijke vertraging ondervonden. De passagiers vorderden € 1.200,- compensatie op grond van Verordening (EG) Nr. 261/2004, die compensatie bij langdurige vertraging regelt. Transavia voerde verweer met onder meer verwijzing naar het IATA-arrest, het Verdrag van Montreal en stelde dat de zaak aangehouden moest worden tot het HvJ EU uitspraak deed over vergelijkbare zaken.
De kantonrechter te Haarlem wees het verzoek tot aanhouding af en volgde het Sturgeon-arrest van het HvJ EU, dat compensatie bij vertraging bevestigt. Het hof Amsterdam bekrachtigde dit oordeel. De kantonrechter veroordeelde Transavia tot betaling van compensatie, rente en proceskosten. Transavia stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad onderzoekt of de kantonrechter als hoogste rechter verplicht was prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de uitleg van art. 7 van Pro de Verordening en de verhouding tussen het Sturgeon- en IATA-arrest. Tevens is de vraag aan de orde of de kantonrechter ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom bijzondere omstandigheden (art. 5 lid 3 Verordening Pro) niet tot uitsluiting van compensatie leiden.
De Hoge Raad oordeelt dat de kantonrechter als hoogste rechter in de zin van art. 267 VWEU Pro prejudiciële vragen moet stellen indien onduidelijkheid bestaat over het toepasselijke Unierecht. De inhoudelijke toetsing aan Unierecht is echter beperkt in cassatie. Wel is geoordeeld dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het beroep op bijzondere omstandigheden door Transavia is verworpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is vernietiging van het vonnis en verwijzing van de zaak voor nieuwe beoordeling, met name over de bijzondere omstandigheden. De Hoge Raad houdt de zaak aan in afwachting van nadere uitspraken van het HvJ EU over de materie.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nieuwe beoordeling.