ECLI:NL:PHR:2012:BW5619
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardebepaling onteigende grond bij aanleg provinciale weg en eliminatieregel
In deze zaak gaat het om de waardebepaling van een perceel grond dat door de Provincie Zuid-Holland is onteigend voor de aanleg van een rotonde en een provinciale weg (N217). De deskundigen stelden een primaire waardering vast op basis van agrarisch gebruik en een subsidiaire waardering met een hogere verwachtingswaarde indien de verkeersbestemming zou worden weggedacht. De rechtbank volgde de primaire waardering en wees de subsidiaire benadering af.
De eiser, namens de erven van de oorspronkelijke eigenaar, stelde cassatieberoep in tegen het vonnis van de rechtbank. Hij betoogde dat de verkeersbestemming ten onrechte niet werd weggedacht, dat sprake was van een dwangbestemming en dat de subsidiaire waardering met verwachtingswaarde toegepast had moeten worden. Tevens voerde hij aan dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de subsidiaire benadering werd verworpen.
De Hoge Raad overwoog dat de eliminatieregel van artikel 40c Onteigeningswet alleen van toepassing is indien sprake is van een plan als bedoeld in dat artikel, wat inhoudt dat de verkeersbestemming niet zomaar mag worden weggedacht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verkeersbestemming bleef bestaan en dat geen relevante verwachtingswaarde aanwezig was, mede gelet op het feit dat toekomstige ontwikkelingen pas op lange termijn voorzienbaar zijn. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de primaire agrarische waardering als juiste basis voor de schadeloosstelling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verkeersbestemming niet mag worden weggedacht en de primaire agrarische waardering geldt voor de schadeloosstelling.