ECLI:NL:PHR:2012:BW5726
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering bewindvoerder op derde na toelating schuldsaneringsregeling en beroep op verrekening
De zaak betreft een vordering van de bewindvoerder van een schuldenaar tegen een derde die na de toelating van de schuldsaneringsregeling betalingen ontving van klanten van de schuldenaar. De derde, eiser tot cassatie, stelde dat de huurinkomsten hem toekwamen omdat hij het autoverhuurbedrijf voortzette en dat hij mocht verrekenen met zijn vorderingen op de schuldenaar.
De rechtbank wees de vordering van de bewindvoerder toe, omdat de huurinkomsten toekwamen aan de schuldenaar die het bedrijf op eigen naam bleef voortzetten. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het beroep op verrekening niet gegrond was, mede omdat de vordering pas ontstond bij ontvangst van de gelden op de rekening van de derde.
In cassatie stelde eiser dat de vorderingen uit verhuur als toekomstige vorderingen waren overgedragen, maar dit was een nieuw feitelijk verweer dat niet in eerdere instanties was ingebracht en daarom niet ontvankelijk was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.