ECLI:NL:PHR:2012:BW6673

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00067
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs dat verdachte wist van ongeldigverklaring rijbewijs

Op 24 augustus 2007 verklaarde het CBR het rijbewijs van verdachte ongeldig wegens alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid vastgesteld na medisch onderzoek. Het besluit werd aangetekend verzonden naar het adres waarop verdachte stond ingeschreven, zonder retourmelding. Verdachte werd op 16 september 2008 veroordeeld voor het besturen van een voertuig terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was.

Het hof baseerde zich op het feit dat het besluit niet was geretourneerd en dat verdachte zijn rijbewijs in bezit had bij staande houding. De verdediging voerde aan dat niet bewezen was dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring.

De Hoge Raad oordeelde dat uit de enkele omstandigheid van verzending en niet-retour komen van de aangetekende brief niet zonder nadere motivering kan worden afgeleid dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten van de ongeldigverklaring. Dit volgt ook uit eerdere jurisprudentie. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs dat verdachte wist van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.

Conclusie

Nr. 11/00067
Mr. Machielse
Zitting 13 maart 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft verdachte op 16 september 2010 voor: overtreding van artikel 9 tweede Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van zes maanden en een vordering tot tenuitvoerlegging ter zake een andere voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.
2. Mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, heeft cassatie doen instellen. Mr. N. Hendriksen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1. Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard.
3.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat
"hij op 16 september 2008 binnen de gemeente Boarnsterhim terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor alle categorieën ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de Rijksweg A32 als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie heeft bestuurd."
3.3. Het arrest houdt onder meer het volgende in:
"Subsidiair heeft de raadsman ter terechtzitting van het hof betoogd dat niet uit het dossier blijkt dat verdachte op de hoogte was van het feit dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig was verklaard. Tevens blijkt niet dat verdachte redelijkerwijs had moeten weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Immers, zo betoogt de raadsman, hij had zijn rijbewijs in bezit toen hij staande werd gehouden. De conclusie die de raadsman hieraan heeft verbonden is dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld bij verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Op 24 augustus 2007 is door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) besloten dat verdachte niet voldeed aan de eisen van geschiktheid, waarbij zijn rijbewijs ongeldig werd verklaard voor alle categorieën. De reden hiervan was gelegen in een onderzoek dat verdachte heeft ondergaan, zo blijkt uit het besluit, waarbij onder meer een lichamelijk onderzoek, een psychiatrisch onderzoek en een bloedonderzoek is uitgevoerd. Bij betrokkene zijn op basis van het onderzoek de diagnoses alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid gesteld. De uitslag van dit onderzoek is verdachte bij brief van 2 augustus 2007 medegedeeld. Het besluit van 24 augustus 2007 is aangetekend verzonden naar het adres [b-straat 1] te [plaats] en is niet retour gekomen bij het CBR. In de begeleidende brief, die aangetekend met het besluit is meegezonden, werd vermeld dat verdachte zijn rijbewijs moest opsturen naar het CBR. Daarbij werd vermeld dat verdachte, wanneer het rijbewijs op dat moment niet in zijn bezit was, dit moest opsturen zodra hij er weer over beschikte.
Verdachte stond - zo blijkt uit de ID-staat SKDB d.d. 2 september 2010 - van 6 december 2006 tot 6 maart 2009 op de [b-straat 1] te [plaats] ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie.
Blijkens een openbare bron, te weten de website www.tnt.nl, wordt een aangetekend poststuk - of dat nu 'gewoon aangetekend ' of 'aangetekend met handtekening retour' wordt verstuurd - door TNT Post in een speciaal beveiligd postproces verwerkt en de volgende werkdag persoonlijk bij de geadresseerde afgegeven. Indien het poststuk niet kan worden afgegeven, wordt het geretourneerd aan de afzender. Door het CBR is medegedeeld dat het aangetekend aan verdachte verzonden besluit niet is geretourneerd aan het CBR.
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat het besluit van het CBR van 24 augustus 2007 door het CBR aangetekend is verzonden naar het adres waarop verdachte stond ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie en niet retour is gekomen. Gesteld noch gebleken is waarom niet kan worden afgegaan op de mededeling hieromtrent van het CBR. Uit deze vaststelling volgt dat verdachte toen hij op 16 september 2008 optrad als bestuurder van een auto, redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Het feit dat de verdachte na het ondergaan van het geschiktheidsonderzoek bij het CBR zijn rijbewijs (nadat dit strafvorderlijk ingevorderd is geweest) heeft teruggekregen van het parket van de officier van justitie, doet aan het hiervoor overwoge niet af. De verdachte had kunnen en moeten begrijpen dat het onderzoek aangaande zijn medische geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen (door het CBR) van een andere orde is dan de tenuitvoerlegging van straffen en/of maatregelen (door het parket van de officier van justitie). In dat verband is onder meer van belang de brief van het CBR waarin het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte aan hem bekend is gemaakt. In die brief wordt immers uiteengezet hoe de verdachte opnieuw in het bezit van een geldig rijbewijs kan komen. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte de daarin beschreven instructies geheel of gedeeltelijk heeft opgevolgd. De veronderstelling dat enkel de afgifte van het rijbewijs door het parket van de officier van justitie de ongeldigverklaring ervan door het CBR voetstoots ongedaan zou maken, is dan ook geenszins gerechtvaardigd te achten.
Gelet op bovenstaande overwegingen verwerpt het hof ook het subsidiaire verweer van de raadsman."
3.4. Het middel klaagt dat afgezien van de enkele mededeling van het CBR dat het besluit tot ongeldigverklaring naar het toenmalige GBA-adres is verzonden, geen feiten of omstandigheden kunnen blijken die redengevend zijn voor de vaststelling dat verdachte wist of zich bewust moest zijn van de omstandigheid dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof heeft het verweer dat verdachte geen schuld heeft aan de hem verweten gedraging op onbegrijpelijke wijze verworpen.
3.5. Het middel slaagt. Ik volsta met een verwijzing naar HR 25 januari 2011, LJN BO6762, waarin de Hoge Raad overwoog:
"2.4. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende en onaangetekende brief is verzonden en deze brieven niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed."
Ik zie geen grond in de onderhavige zaak van deze overwegingen af te wijken.
4. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Leeuwarden teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden