ECLI:NL:PHR:2012:BW7469

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04484
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging partneralimentatie bij gewijzigde omstandigheden zonder terugwerkende kracht

In deze zaak heeft de man verzocht om vermindering van de partneralimentatie die hij aan de vrouw moest betalen, op grond van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank stelde de alimentatie vast op een lager bedrag met ingang van 1 oktober 2010. De man wilde dat deze wijziging met terugwerkende kracht zou ingaan op 18 december 2009, de datum van indiening van zijn verzoek.

Het hof bevestigde de beslissing van de rechtbank en oordeelde dat de wijziging niet met terugwerkende kracht kan ingaan, omdat de vrouw door het niet betalen van alimentatie door de man leningen heeft moeten afsluiten om in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof vond het onredelijk om van de vrouw te verlangen dat zij deze schulden zou terugbetalen.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man en bevestigde dat de rechter behoedzaam moet omgaan met terugwerkende kracht bij wijziging van alimentatie, vooral wanneer dit leidt tot terugbetaling van reeds ontvangen bedragen. De uitspraak benadrukt het belang van redelijkheid en billijkheid bij de vaststelling van de ingangsdatum van alimentatiewijzigingen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de wijziging van partneralimentatie niet met terugwerkende kracht ingaat vanwege de onredelijke gevolgen voor de alimentatiegerechtigde.

Conclusie

11/04484
Mr. F.F. Langemeijer
1 juni 2012
Conclusie inzake:
[De man]
tegen
[De vrouw]
1. Deze alimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie. Bij beschikking van 12 december 2007 heeft de rechtbank te Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer bepaald dat de man (thans verzoeker tot cassatie) aan de vrouw (thans gerekestreerde in cassatie) als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.650,- per maand dient te voldoen. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven op 14 december 2007. Nadien is het bedrag verhoogd met de wettelijke indexering.
2. Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank ingekomen op 18 december 2009, heeft de man verzocht de vastgestelde partneralimentatie op grond van gewijzigde omstandigheden met onmiddellijke ingang te verminderen tot nihil, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag. Hij beriep zich op verminderde draagkracht en stelde daarnaast dat de vrouw in staat moet worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk een zelfstandig verzoek ingediend tot vaststelling van kinderalimentatie; dat laatste verzoek is in cassatie niet meer van belang.
3. Bij beschikking van 22 september 2010 heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, om welke reden de rechtbank de alimentatie opnieuw heeft bepaald. De rechtbank was van oordeel dat de vrouw, gelet op haar huidige inkomen, behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage tot een bedrag van € 288,- bruto per maand en dat de man over voldoende draagkracht beschikt om deze bijdrage te voldoen. Voor een nihilstelling achtte de rechtbank geen grond aanwezig. De rechtbank heeft de beschikking van 12 december 2007 gewijzigd in die zin, dat de man vanaf 1 oktober 2010 een bijdrage van € 288,- bruto per maand aan de vrouw verschuldigd is. De rechtbank zag geen reden om een andere ingangsdatum te hanteren dan de eerste dag van de maand, volgend op de datum van haar beschikking.
4. De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem en heeft als grief aangevoerd dat de wijziging van de alimentatie zou moeten ingaan op de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, te weten 18 december 2009. De vrouw heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 12 juli 2011 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Met betrekking tot het principaal beroep overwoog het hof, na een weergave van relevante rechtspraak(1):
"4.3. Het hof hanteert evenals de rechtbank als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 1 oktober 2010. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw, omdat de man de hem opgelegde alimentatie niet betaalde, leningen heeft moeten afsluiten onder meer bij haar ouders om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze schulden zal zij terug moeten betalen. Gezien de hoogte van haar inkomen is het bezwaarlijk te verwachten dat zij deze schulden uit eigen middelen kan aflossen. Zij heeft er naar het oordeel van het hof ook geen rekening mee hoeven te houden dat de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud eerder dan de datum van de beschikking zou wijzigen. Terugbetaling van de alimentatie is naar het oordeel van het hof dan ook in dit geval te ingrijpend en kan van de vrouw in redelijkheid niet worden verwacht. (...)"
5. Namens de man is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. In cassatie heeft de vrouw geen verweer gevoerd.
6. Het middel keert zich tegen de geciteerde rechtsoverweging 4.3. Volgens de klacht is dit oordeel ten onrechte, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Volgens de toelichting zou de man op 18 december 2009 aan de vrouw hebben laten weten dat hij niet langer in staat was de destijds opgelegde partneralimentatie te continueren; omstreeks die datum heeft hij de betaling van substantiële bedragen aan alimentatie gestaakt. Van een terugbetaling van alimentatie door de vrouw kan volgens de klacht geen sprake zijn(2).
7. Wat het eerste argument betreft: het cassatieverzoekschrift vermeldt niet waar de man deze mededeling aan de vrouw eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. Veronderstellenderwijs aannemend dat het middel doelt op de stelling van de man in het inleidend verzoekschrift onder 6, waarin hij aan het wijzigingsverzoek ten grondslag legde dat sprake is van een substantiële inkomensachteruitgang en dat hij niet langer in staat is de eerder vastgestelde alimentatie te betalen, heeft de feitenrechter anders geoordeeld. Volgens het hof heeft de vrouw er geen rekening mee behoeven te houden dat de wijziging op een eerdere datum zou ingaan dan de datum van de beschikking in eerste aanleg. Gegeven de vrijheid die naar vaste rechtspraak de feitenrechter op dit punt toekomt, geeft dat oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk voor de lezer: het hof heeft dit oordeel toegelicht met een verwijzing naar de leningen die de vrouw heeft moeten sluiten om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
8. De gestelde omstandigheid dat de man de betalingen na 18 december 2009 geheel of grotendeels heeft gestaakt - en dat in zoverre geen sprake kan zijn van een verplichting van de vrouw tot terugbetaling aan de man van hetgeen teveel is betaald - beperkte het hof niet in zijn vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de wijziging. De in de rechtspraak aanvaarde regel houdt kort gezegd in dat de rechter van zijn bevoegdheid tot het wijzigen van een onderhoudsbijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik maakt, omdat een wijziging met terugwerkende kracht ingrijpende gevolgen kan hebben. Voor deze behoedzaamheid bestaat temeer aanleiding wanneer een wijziging met ingang van een datum vóór die van de rechterlijke beslissing tot een verplichting leidt om hetgeen teveel is ontvangen aan de andere echtgenoot terug te betalen(3). Anders dan de man veronderstelt, is het vereiste van behoedzaamheid niet beperkt tot die situatie. Bij zijn beoordeling van de vraag welke gevolgen een wijziging met terugwerkende kracht tot 18 december 2009 voor de vrouw zou hebben gehad, mocht het hof ook rekening houden met de omstandigheid dat de vrouw - nadat de man tekort schoot in de voldoening van zijn alimentatieverplichting - elders schulden is aangegaan om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien en dat niet te verwachten is dat zij, naast het dagelijks levensonderhoud, uit haar inkomen die schulden kan aflossen.
9. Ook het gebruik van de woorden "terugbetaling van de alimentatie" maakt het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. Uit de geciteerde overweging blijkt zonder meer dat het hof niet voor ogen heeft gehad dat, bij toewijzing van het wijzigingsverzoek ingaande 18 december 2009, de vrouw een teveel ontvangen alimentatiebedrag aan de man moet terugbetalen: het hof heeft immers overwogen dat de man de alimentatie niet betaalde. Deze woorden zien kennelijk op de terugbetaling van de door de vrouw afgesloten leningen: die terugbetaling kan van de vrouw niet worden verwacht als zij niet eerst daartoe in staat is gesteld doordat de man alsnog de tot 1 oktober 2010 verschuldigde alimentatietermijnen aan de vrouw voldoet.
10. Op grond van het voorgaande faalt het middel. Toepassing van art. 81 RO Pro wordt in overweging gegeven.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a.-g.
1 HR 21 december 2007 (LJN: BB4757), NJ 2008/27; HR 10 september 2004 (LJN: AO9077), NJ 2005/225.
2 Het middel verwijst naar: HR 1 februari 2002 (LJN: AD6631), NJ 2002/185; HR 20 september 2002 (LJN: AE3347), NJ 2003/47 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 14 november 2008 (LJN:BD7589), NJ 2009/52 m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 5 september 2008 (LJN: BD4377), RFR 2008/117.
3 Zie naast de reeds genoemde uitspraken: HR 22 september 2006 (LJN: AW6242), NJ 2006/519; HR 15 januari 2008 (LJN: BB9246), NJ 2008/65; Asser-De Boer 1*, 2010, nr. 1049; Personen- en familierecht, losbl., aantek. bij art. 1:402 (S.F.M. Wortmann).