ECLI:NL:PHR:2012:BW9194
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs opzet en schending redelijke termijn in accijnscontrabandezaak
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Gravenhage veroordeeld voor medeplegen van het voorhanden hebben van circa 9,9 miljoen sigaretten zonder accijnsbetaling, met een gevangenisstraf van 17 maanden waarvan 6 voorwaardelijk en een geldboete van €40.000. Het hof baseerde zich op waarnemingen van verbalisanten die sigaretten zonder accijnsbanderolen aantroffen in een loods waar verdachte met een vorkheftruck een oplegger loste.
De verdachte stelde cassatie in en betoogde onder meer dat het hof onvoldoende bewijs had geleverd dat hij opzettelijk handelde, omdat niet vaststond dat hij de illegale aard van de sigaretten kende. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat verdachte het aanmerkelijke risico van illegale contrabande heeft aanvaard, onder meer omdat het enkel zien van een pakje zonder banderol niet betekent dat verdachte dit ook heeft waargenomen.
Daarnaast klaagde de verdediging over de strafmotivering, met name over de rekening gehouden draagkracht bij de geldboete en de toepassing van eerdere niet-onherroepelijke veroordelingen. Ook werd een schending van de redelijke termijn vastgesteld doordat het hof de stukken pas ruim 20 maanden na het instellen van het hoger beroep ontving.
De Hoge Raad verklaarde alle middelen gegrond, vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Tevens werd aangegeven dat bij eventuele strafoplegging de schending van de redelijke termijn in de straftoemeting moet worden betrokken.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.