ECLI:NL:PHR:2012:BW9196
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verbeurdverklaring geldbedrag bij invoer cocaïne wegens onvoldoende motivering
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte was veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van 4.266,6 gram cocaïne. Het hof had tevens een geldbedrag van tien bankbiljetten van €50,- verbeurd verklaard, stellende dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dit geldbedrag was begaan. De verdachte was eerder door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden.
De advocaat van de verdachte stelde in cassatie dat de verbeurdverklaring onvoldoende was gemotiveerd, omdat het hof niet had toegelicht wat de relatie was tussen het inbeslaggenomen geld en het strafbare feit. Het hof had weliswaar aangenomen dat het geldbedrag diende als handgeld voor de reis, maar had geen nadere motivering gegeven waarom het geld als instrumentum delicti kon worden aangemerkt.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof het oordeel over de verbeurdverklaring onvoldoende had gemotiveerd en dat het arrest vernietigd moet worden voor zover het de verbeurdverklaring betreft. De conclusie benadrukt dat de wettelijke regeling omtrent verbeurdverklaring en voordeelontneming strikt moet worden toegepast en dat het toepassingsbereik van artikel 33a, eerste lid, aanhef en onder c, Sr niet verruimd dient te worden.
De Hoge Raad zal op basis van deze conclusie een passende beslissing nemen, waarbij de verbeurdverklaring van het geldbedrag wordt heroverwogen.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de verbeurdverklaring van het geldbedrag betreft wegens onvoldoende motivering.