ECLI:NL:PHR:2012:BW9230
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over afweging tussen vrijheid van meningsuiting en recht op privacy bij heimelijke televisieopnamen
In deze zaak stond de vraag centraal of de uitzending van heimelijk gemaakte televisieopnamen van een veroordeelde in een TBS-kliniek een onrechtmatige inbreuk op zijn recht op privacy vormde, tegen de vrijheid van meningsuiting van de omroepen in. De opnamen betroffen intieme gesprekken die zonder medeweten van de betrokkene waren gemaakt en zouden worden uitgezonden in een misdaadprogramma.
De voorzieningenrechter verbood aanvankelijk de uitzending van de heimelijke opnamen, maar ondanks dat verbod werden beelden uitgezonden, wat leidde tot een tweede kort geding. Het hof bekrachtigde de verboden met een uitgebreide motivering waarin werd vastgesteld dat er sprake was van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Vervolgens onderzocht het hof of de belangen van de omroepen bij uitzending deze inbreuk konden rechtvaardigen, waarbij het hof oordeelde dat de belangen onvoldoende waren om de inbreuk te legitimeren.
De Hoge Raad benadrukte dat de maatstaf voor de afweging is dat beide fundamentele rechten, vrijheid van meningsuiting en recht op privacy, gelijkwaardig zijn en in één beoordelingstraject moeten worden afgewogen. De uitkomst dat het ene recht prevaleert, impliceert dat de inbreuk op het andere recht noodzakelijk en gerechtvaardigd is. De klachten over de motivering van het hof en de toepassing van de proportionaliteitstoets werden verworpen. De Hoge Raad concludeert dat het hof een juiste en zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt het verbod op uitzending van heimelijk gemaakte opnamen wegens ernstige inbreuk op het recht op privacy.