ECLI:NL:PHR:2012:BW9860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over bewijs en betaling onttrokken gelden tussen broers
In deze zaak vordert verzoeker betaling van onttrokken gelden van een gezamenlijke en/of-rekening die hij met zijn broer, verweerder, had. Verzoeker stelde dat hij een bedrag van Afl. 66.495,- op deze rekening had gestort, maar kon dit niet concreet bewijzen. Verweerder erkende dat hij in december 2001 een bedrag van Afl. 50.216,46 van de gezamenlijke rekening had overgeboekt naar zijn eigen rekening en dat verzoeker daarna Afl. 30.000,- op die rekening had gestort. Het hof wees de vordering van verzoeker af wegens gebrek aan concreet bewijs van de storting van Afl. 66.495,- en behandelde de vordering van Afl. 30.000,- niet expliciet.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te veronderstellen dat verzoeker het bewijs van de storting van Afl. 66.495,- moest leveren, terwijl verweerder deze stelling niet had betwist. Ook is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd omdat het niet duidelijk is waarom de vordering van Afl. 30.000,- is afgewezen zonder daarover een motivering te geven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.
De conclusie benadrukt dat in cassatie niet strikt moet worden vastgehouden aan de procedurele regel van art. 399 Rv Pro indien een deel van de vordering niet is behandeld, mits het cassatieberoep ook andere klachten bevat. Dit bevordert de proceseconomie en voorkomt onnodige procedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.