ECLI:NL:PHR:2012:BW9867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over matiging loonvordering wegens stopzetting consignatiedienst werknemer
De zaak betreft een loonvordering van een werknemer die sinds 1960 bij Sappi werkte en sinds 1975 deelnam aan een consignatieregeling. Sappi beëindigde per 15 december 2004 de consignatiedienst van de werknemer vanwege geconstateerde plichtsverzuimen. De werknemer vorderde doorbetaling van consignatietoeslag en overuren tot zijn pensioen in 2007. De rechtbank kende gedeeltelijk toe, het hof vernietigde het vonnis en matigde de loonvordering tot € 2.400 bruto, inclusief wettelijke verhoging.
De Hoge Raad toetst in cassatie of het hof terecht het beroep op matiging op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro heeft gehonoreerd en of de motivering voldoet. De Raad stelt dat de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW Pro gelijk is aan die van art. 7:680a BW, waarbij matiging slechts is toegestaan bij onaanvaardbare gevolgen van volledige toewijzing, met een terughoudende rechterlijke toets.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het tijdsverloop aan de zijde van de werknemer tot matiging leidt, en dat het hof niet heeft aangegeven welke gedragingen van de werknemer het tijdsverloop hebben veroorzaakt. Ook is onduidelijk welk deel van het gematigde bedrag betrekking heeft op loon en welk deel op wettelijke verhoging. Tevens heeft het hof nagelaten te beslissen over de vordering tot wettelijke rente. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van loonmatiging en verwijst de zaak terug.