ECLI:NL:PHR:2012:BW9877
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herroeping beschikking vaderschap wegens bedrog en aanvangstijdstip herroepingstermijn
In deze zaak heeft de vrouw verzocht het vaderschap van de man over de minderjarige vast te stellen. De rechtbank had dit vaderschap vastgesteld, waarna de zus en moeder van de man een verzoek tot herroeping van deze beschikking indienden wegens bedrog door de vrouw.
De kern van het geschil betrof het aanvangstijdstip van de herroepingstermijn op grond van artikel 383 Rv Pro. De zus en moeder baseerden hun verzoek op verklaringen uit oktober 2009 waaruit bleek dat de man onvruchtbaar was en de vrouw mogelijk bedrog had gepleegd. De rechtbank oordeelde dat de termijn nog niet was verstreken omdat er slechts sprake was van een verdenking, niet van bewijs.
De Hoge Raad verduidelijkte dat de termijn begint te lopen vanaf het moment dat de benadeelde partij bekend is met alle feiten die het bedrog wettigen, niet pas wanneer het bedrog bewezen is. De verklaringen uit oktober 2009 waren voldoende om het bedrog te ontdekken, zodat de termijn drie maanden later was verstreken toen het verzoek in december 2010 werd ingediend. Daarom werd de zus niet-ontvankelijk verklaard. Voor de moeder moest nader worden onderzocht wanneer zij kennis droeg van de verklaringen.
Verder werd bevestigd dat in de ontvankelijkheidsfase slechts aannemelijk gemaakt hoeft te worden dat er bedrog is, en dat bewijsvoering in de heropeningprocedure plaatsvindt. De rechtbank had ook terecht het geding heropend op basis van de aannemelijkheid van het bedrog. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van 27 oktober 2006 en bepaalde dat de zaak deels zelf kon worden afgedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verklaart de zus niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de herroepingstermijn.