1. Voor zover niet anders aangegeven, ontleend aan rov. 4.1 en 4.2 van het arrest van het hof Arnhem d.d.7 juni 2011.
2. De brief (met als bijlage het expertiserapport) is in eerste aanleg als productie 1 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.
3. Zie in dit verband de in cassatie onbestreden gebleven rov. 4.7 uit het arrest d.d. 7 juni 2011 van het hof Arnhem.
4. De creditfactuur is in eerste aanleg als productie 2 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.
5. Gedagvaard wordt voor de sector Kanton. Bij vonnis d.d. 9 maart 2007 in het bevoegdheidsincident wordt de zaak naar de sector civiel verwezen.
6. In het door het hof in het arrest gehanteerde nummering ontbreekt rov. 4.11. Bij de bespreking van het cassatiemiddel wordt de door het hof gehanteerde nummering aangehouden.
7. Parl. Gesch. Boek 6 BW, blz. 339.
8. Zie over schadebegroting en in het bijzonder de abstracte schadevaststelling meer in het algemeen onder meer: Asser/Hartkamp/Sieburgh, 6-II*, 2009, nrs. 31-38; S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1, Mon. BW nr. B34, 2008, nrs. 5-7 en 36-39; C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2, Mon. BW nr. B35, 2007, nrs. 4-11; A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, 1965, nrs. 25- 29 en 40-50; losbladige Kluwerbundel Schadevergoeding (S.D. Lindenbergh), art. 6:96, aant. 11-28 en art. 6:97, aant. 25-28 jo. art. 6:96, aant. 16-21.
9. Ook bij personenschade (letsel/overlijden) heeft de abstracte schadevaststelling toepassing gevonden; zie bijvoorbeeld HR 28 mei 1999, LJN ZC2912, NJ 1999, 564, m.nt. ARB (ouders verzorgen zelf kind met ernstig brandletsel; hoewel daartoe geen uitgaven zijn gedaan, toch recht op vergoeding op basis van kosten van professionele hulp) en HR 11 juli 2008, LJN BC9365, NJ 2009, 385 m.nt. JBMV (van een gezin met jonge kinderen komt de moeder als gevolg van verkeersongeval te overlijden; hoewel verzorging door derden, onder wie de nieuwe echtgenote van de vader, kosteloos wordt overgenomen, recht op vergoeding op basis van kosten van professionele hulp).
10. HR 7 mei 2004, LJN AO2786, NJ 2005, 76, m.nt. CJHB; M.J. Tolman, Keuzevrijheid in het zaakschaderecht, AV&S 2005, 16, blz. 93-102.
11. Waaronder HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444, m.nt. LEHR , HR 12 april 1985, LJN AG4995, NJ 1985, 625, m.nt. G en HR 1 juli 1993, LJN ZC1034, NJ 1995, 43, m.nt. CJHB.
12. Zie in dit verband losbladige Kluwer-bundel Schadevergoeding (S.D. Lindenbergh), artikel 96, aant. 21, waar erop wordt gewezen dat autoschades vrijwel steeds door een expert begroot worden met behulp van het computersysteem Audatex. Zie hierover nader Handboek Schaderegeling motorrijtuigen (Red. R.Ph. Elzas), deel 700 Schaderegeling in de praktijk, 710 Regeling zaakschaden, § 3, nr. 3.2.
13. De Pleitnota is alleen aangetroffen in het door Athlon in cassatie overgelegde procesdossier.
14. Pleitnota van mr. S.W. Polak, sub 3.14.
15. Aldus A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, 1965, blz.58/59. Zie ook HR 12 april 1985, LJN AG4995, NJ 1985, 625, m.nt. G. In rov. 3.3 oordeelt de Hoge Raad onder meer dat het vorderen van de daadwerkelijk gemaakte kosten van herstel (nog) niet eraan in de weg staat dat de betrokken schadevordering een vordering betreft tot vergoeding van de op het ogenblik der beschadiging in het vermogen geleden schade wegens waardevermindering van de beschadigde zaak. Dit geldt ook, aldus de Hoge Raad, indien in de dagvaarding enkel melding wordt gemaakt van het bedrag dat de herstelkosten in feite hebben belopen en niet met zoveel woorden tot uitdrukking wordt gebracht dat vergoeding wordt gevorderd voor de op dat bedrag gestelde waardevermindering van de beschadigde zaak. In de betrokken zaak speelde de vraag wanneer de schadevordering is ontstaan, dit in verband met de bepaling van de datum van ingang van de wettelijke rente.
16. Zie de Schriftelijke Toelichting van mrs. Van der Wiel en De Graaf, met name sub 5.5.