ECLI:NL:PHR:2012:BX0744

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/03143
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 706 RvArt. 339 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding termijn en onterecht beslag in bodemverontreinigingszaak

In deze civiele procedure stond centraal de vraag of het hoger beroep van verweerder tijdig en ontvankelijk was ingesteld tegen een deelvonnis van de kantonrechter. Verweerder had een huurovereenkomst met eiser betwist en vorderde onder meer ontbinding, ontruiming, huurbetaling en schadevergoeding wegens bodemverontreiniging. De kantonrechter wees de vorderingen 1 tot en met 3 af in een deelvonnis van 9 juli 2008, dat als eindvonnis gold voor die onderdelen.

Verweerder stelde hoger beroep in tegen dit deelvonnis, maar overschreed de wettelijke termijn van drie maanden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof verweerder ambtshalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren voor zover het hoger beroep betrekking had op deze vorderingen. Daarnaast was het conservatoir beslag en de sequestratie op een vrachtauto onterecht omdat de grondslag, de vordering tot schadevergoeding bodemverontreiniging, was afgewezen.

De Hoge Raad vernietigde daarom de arresten van het hof en bepaalde dat verweerder niet-ontvankelijk is in het hoger beroep tegen de afwijzing van de vorderingen 1-3, dat de vordering tot vergoeding van sequestratiekosten wordt afgewezen en dat verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van alle instanties.

Uitkomst: Verweerder is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn en de vordering tot vergoeding van beslagkosten is afgewezen.

Conclusie

Zaaknr. 11/03143
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 29 juni 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Het gaat in deze zaak over tijdig appelleren van een deelvonnis, toewijzing van de vordering tot betaling van sequestratiekosten en de veroordeling in de proceskosten.
1. Feiten(1) en procesverloop(2)
1.1 Verweerder in cassatie, [verweerder], zocht omstreeks december 2006 een huurder voor zijn bedrijfsruimte met buitenperceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de loods). Eiser tot cassatie, [eiser], heeft in januari 2007 interesse getoond, de loods samen met [betrokkene 1] bezichtigd en [verweerder] daarover gesproken. Daarna hebben partijen nog verscheidene malen met elkaar gesproken. Bij één van deze gesprekken heeft [eiser] zijn paspoort getoond en heeft de echtgenote van [verweerder] daarvan een fotokopie gemaakt. Een door [verweerder] opgestelde huurovereenkomst, gedateerd 26 februari 2007, waarop [eiser] als huurder staat vermeld en waarop voorts is vermeld dat de loods per 1 maart 2007 wordt verhuurd, is niet ondertekend.
1.2 Op 7 maart 2007 heeft de gemeente Helden, naar aanleiding van klachten over geuroverlast, het terrein van de loods geïnspecteerd. Bij brief van 8 maart 2007 heeft de gemeente, kort samengevat, aan [verweerder] medegedeeld dat zij heeft geconstateerd dat een grote hoeveelheid van de stof Diisobutylketon is geloosd, dat de bodem en de riolering daardoor ernstig vervuild zijn geraakt, dat milieuvoorschriften zijn overtreden en dat bestuursdwang wordt toegepast. Op dezelfde dag heeft de gemeente een soortgelijke brief gestuurd aan [eiser] en aan Lyrasol Import & Export GmbH (hierna: Lyrasol).
1.3 Bij inleidende dagvaarding van 26 maart 2007 heeft [verweerder] [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond.
[Verweerder] heeft daarbij - kort samengevat - gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad (1) de huurovereenkomst ter zake van de loods per 1 maart 2007 ontbindt; voorts [eiser] veroordeelt (2) tot ontruiming van het huurobject en (3) tot betaling van huurpenningen alsmede (4) tot betaling van schadevergoeding voor alle door [verweerder] geleden schade ten gevolge van de door dan wel vanwege [eiser] veroorzaakte bodemverontreiniging in of rondom het gehuurde en (5) tot betaling van proceskosten, waaronder begrepen beslagkosten en kosten van sequestratie.
1.4 [Verweerder] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat hij met ingang van 1 maart 2007 een huurovereenkomst met [eiser] is aangegaan, dat in de periode van 1 tot 7 maart 2007 lossingen van milieubelastende stoffen in de bodem van het gehuurde hebben plaatsgevonden, dat [verweerder] als eigenaar van het gehuurde door de gemeente is aangesproken voor alle schade als gevolg van de lossingen en dat [eiser] aldus op ernstige wijze jegens [verweerder] is tekortgeschoten. Bovendien heeft hij de huurpenningen niet (tijdig) voldaan.
1.5 [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Na verdere conclusiewisseling heeft de kantonrechter [eiser] bij tussenvonnis van 24 oktober 2007 toegelaten tot bewijs van de juistheid van zijn stelling dat [verweerder] de huurovereenkomst niet met hem, [eiser], is aangegaan, maar met de Duitse vennootschap Lyrasol, gevestigd te Nettetal-Lobberich.
1.6 Nadat op 24 januari en 26 maart 2008 getuigenverhoren hebben plaatsgevonden en partijen daarop bij conclusies na (contra-)enquête hebben gereageerd, heeft de kantonrechter bij vonnis van 9 juli 2008 de vordering op de onderdelen 1, 2 en 3 afgewezen op de grond dat [eiser] is geslaagd in het door hem te leveren bewijs (rov. 7). De kantonrechter heeft daarnaast onder aanhouding van iedere verdere beslissing de zaak naar de rol verwezen om [verweerder] de gelegenheid te geven zich - bij akte - uit te laten over de vraag of hij omtrent onderdeel 4 van de vordering (schadevergoeding wegens milieuvervuiling) nog verder wenst te procederen.
1.7 Na aktewisseling heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 10 december 2008 geconstateerd dat [verweerder] heeft laten weten niet verder te willen procederen en onderdeel 4 van de vordering daarentegen te willen intrekken en heeft de kantonrechter vervolgens de vordering op onderdeel 4 afgewezen en [verweerder] veroordeeld in de kosten van het geding.
1.8 [Verweerder] is, onder aanvoering van zeven grieven, bij appelexploot van 5 maart 2009 van de vonnissen van de kantonrechter van 9 juli 2008 en 10 december 2008 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van deze vonnissen en - zakelijk weergegeven - tot toewijzing van zijn vorderingen zoals in eerste aanleg omschreven.
[Eiser] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen.
1.9 Bij tussenarrest van 5 oktober 2010 heeft het hof - naar de kern genomen en sterk vereenvoudigd weergegeven - geoordeeld dat het door [eiser] te leveren bewijs niet is geleverd (rov. 4.3) en voorts dat de huurovereenkomst is gesloten met [eiser] in privé, maar dat dit niet betekent dat alle vorderingen van [verweerder] moeten worden toegewezen (rov. 4.8). Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen voor de in het arrest onder 4.8.2 tot en met 4.8.4 vermelde doeleinden.
1.10 Bij eindarrest van 5 april 2011 heeft het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd, en opnieuw rechtdoende, (i) de huurovereenkomst tussen partijen per datum van het arrest ontbonden; [eiser] veroordeeld tot betaling van (ii) een bedrag van € 28.333,20 ter zake van de verschuldigde huurpenningen te vermeerderen met de wettelijke rente en (iii) van een bedrag van € 25.532,05 ter zake van de kosten van sequestratie. Het hof heeft de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, [eiser] veroordeeld in de proceskosten inclusief de beslagkosten en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1.11 [Eiser] heeft tegen de arresten(3) van het hof tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft zijn standpunt vervolgens schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen (klachten).
Onderdeel I klaagt dat het hof [verweerder] ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in zijn bij appeldagvaarding van 5 maart 2009 ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen onder 1, 2 en 3 in het tussenvonnis van 9 juli 2008.
2.2 Het onderdeel is terecht voorgesteld.
Een eindvonnis of eindarrest houdt een beslissing in het dictum in over (een onderdeel van) hetgeen is gevorderd en maakt (in zoverre) een einde aan de instantie. Dat is het geval als een vordering in het dictum (gedeeltelijk) wordt toegewezen of afgewezen(5).
Het onder 1.6 vermelde vonnis van de kantonrechter van 9 juli 2008 is een deelvonnis waarin in het dictum een uitdrukkelijk einde aan een deel van het geding is gemaakt, te weten voor zover het de vorderingen 1-3 betreft door afwijzing van deze vorderingen. In zoverre is dit vonnis een eindvonnis. De tussenvonniscomponent betreft de verwijzing naar de rol met het oog op de vordering onder 4.
Met betrekking tot de vorderingen 1-3 diende van het vonnis van 9 juli 2008 binnen drie maanden (art. 339 lid 1 Rv Pro.) hoger beroep te worden ingesteld. Deze termijn was op 5 maart 2009 (datum appelexploot) ruimschoots verstreken. Aangezien beroepstermijnen van openbare orde zijn(6), had het hof [verweerder] ambtshalve niet-ontvankelijk dienen te verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit de afwijzing van de vorderingen onder 1-3 in het vonnis van 9 juli 2008 betreft.
2.3 Onderdeel II klaagt dat het hof [eiser] in zijn eindarrest ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van kosten van beslag en sequestratie, omdat deze oordelen innerlijk tegenstrijdig zijn met het oordeel van het hof in rechtsoverweging 8.7 van het eindarrest dat de vordering tot schadevergoeding wegens bodemverontreiniging als onvoldoende toegelicht zal worden afgewezen. Uit de beslagstukken vloeit voort dat de kosten van beslag en sequestratie zijn ontleend aan de beslagverloven die zijn gelegd op de grond van een gepretendeerde vordering tot schadevergoeding wegens milieuverontreiniging en niet (ook) met als grond de vorderingen onder 1-3. Nu de vordering tot schadevergoeding wegens milieuverontreiniging is afgewezen, ontbreekt de grond voor toewijzing van deze kosten.
2.4 Het onderdeel slaagt.
De voorzieningenrechter te Roermond heeft de sequestratie toegestaan op het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag met sequestratie op een vrachtauto die langs de openbare weg te Deurne stond geparkeerd(7). In dit verzoek wordt vermeld dat [verweerder] een bedrag van € 50.000,- + P.M. van [eiser] heeft te vorderen ter zake van het veroorzaken door [eiser] van een ernstige bodemverontreiniging. Nu het hof de vordering tot het vergoeden van de schade als gevolg van de bodemverontreiniging heeft afgewezen, is de grondslag aan (het beslag op en) de sequestratie van de vrachtauto komen te ontvallen.
Overigens slaagt het onderdeel ook indien de sequestratiekosten de vorderingen onder 1-3 als grondslag zouden hebben en wel in verband met het slagen van onderdeel I.
2.5 Onderdeel III is gericht tegen de veroordeling van [eiser] in de proceskosten(8).
Gelet op de gegrondheid van de onderdelen I en II slaagt ook dit onderdeel.
2.6 Nu alle onderdelen slagen, dienen de bestreden arresten te worden vernietigd met uitzondering van de beslissing op de vordering onder (4).
Uw Raad kan de zaak m.i. zelf afdoen door [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van de vorderingen 1-3 in het vonnis van 9 juli 2008, de vordering tot vergoeding van de kosten van sequestratie af te wijzen en [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding in drie instanties.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de arresten van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 oktober 2010 en 5 april 2011 en tot afdoening als onder 2.6 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie rov. 4.1.1-4.2 van het tussenarrest van het hof Den Bosch van 5 oktober 2010.
2 Zie de tussenvonnissen van de rb. Den Bosch van 24 oktober 2007 en 9 juli 2008 en het eindvonnis van 10 december 2008. Zie voorts het tussenarrest van het hof Den Bosch van 5 oktober 2010 en het eindarrest van 5 april 2011.
3 Uit de tekst van onderdeel I, eerste zin (p. 5) maak ik op dat ook tegen het oordeel van het hof in het tussenarrest wordt opgekomen.
4 De cassatiedagvaarding is op 5 juli 2011 uitgebracht.
5 Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 35 onder verwijzing naar HR 10 oktober 2003, LJN AI0309 (NJ 2003, 709).
6 Zie Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 43; Hugentholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van het Nederlands burgerlijk procesrecht, 2009, nr. 146.
7 Zie het verzoekschrift conservatoir beslag roerende zaken met sequestratie, overgelegd als produktie D bij de inleidende dagvaarding, en het daaraan gehechte verlof van 13 maart 2007.
8 Zie ook st. [eiser] onder 23.