1 Rov. 3.1-3.9 van de bestreden beschikking.
2 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2009), nrs. 114 en 257-258. Vgl. voor de reikwijdte van die rechtspraak in het geding na cassatie en verwijzing mijn conclusie onder 2.5 voor HR 25 januari 2008, LJN: BB9246, NJ 2008, 65.
3 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 (2009), nr. 123.
4 Vgl. HR 13 december 1991, LJN: ZC0451, NJ 1992, 178: "3.3 (...) Op zichzelf is juist de overweging van het hof dat de wet geen regeling geeft voor een situatie als de onderhavige waarin iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit zijn eerste en uit zijn tweede huwelijk, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen. Een redelijke wetstoepassing brengt evenwel mede dat in zulk een geval het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (...)." Zie ook HR 22 april 2005, LJN: AS3643, NJ 2005, 379, m.nt. SW: "3.3.2. (...) Is een ouder ook onderhoudsplichtig jegens kinderen uit een andere relatie, en is zijn draagkracht onvoldoende om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen, dan brengt een redelijke wetstoepassing mee dat het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk, tenzij bijzondere omstandigheden, zoals een duidelijk verschil in behoefte, tot een andere verdeling aanleiding geven (vgl. HR 13 december 1991, nr. 7939, NJ 1992, 178)."
Het Rapport alimentatienormen, versie 2010, bepaalt in lijn met deze jurisprudentie onder 4.5 ("Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie") onder "Draagkracht" onder meer: "De draagkracht wordt in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat."
5 Iets voorzichtiger is het Rapport alimentatienormen, versie 2010. De in voetnoot 4 geciteerde passage vervolgt aldus: "Ook kan van belang zijn of, en zo ja hoeveel, een bijdrage van derden ten behoeve van een kind wordt of kan worden verkregen." Zie ook de in voetnoot 4 reeds genoemde beschikking van 22 april 2005, waarin ten vervolge op de in die voetnoot reeds geciteerde passage als volgt wordt overwogen: "Het hof (...) heeft zijn beslissing klaarblijkelijk op deze regel gebaseerd. Door te overwegen dat daarbij niet van belang is wat door de andere ouders van deze kinderen wordt betaald, heeft het hof evenwel miskend dat de bijdrage die de vader van J. in de kosten van haar verzorging en opvoeding levert, althans behoort te leveren, mede bepalend is voor de omvang van het voor rekening van de vrouw blijvende gedeelte van de behoefte van J. Eerst indien de hoogte van de door de vader van J. verschuldigde bijdrage in aanmerking wordt genomen, dan wel is bepaald, kan daarom worden beoordeeld of de draagkracht van de vrouw inderdaad onvoldoende is om aan haar verplichtingen jegens beide kinderen volledig te voldoen en, zo ja, hoe, gelet op de bij J. aldus resterende behoefte, het bij de vrouw voor onderhoud beschikbare bedrag tussen de kinderen moet worden verdeeld." Hierbij moet wel worden bedacht dat de Hoge Raad zich in de in voetnoot 4 genoemde beschikkingen slechts heeft uitgelaten over de vraag hoe de draagkracht over de onderhoudsgerechtigden moet worden verdeeld indien zij ontoereikend is om aan alle onderhoudsverplichtingen van de betrokken onderhoudsplichtige te voldoen, en niet ook over de vraag hoe een op zichzelf toereikende draagkracht moet worden verdeeld, louter en alleen om een draagkrachtvergelijking met andere onderhoudsplichtigen mogelijk te maken. In de beschikking van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad kennelijk het geval willen uitsluiten dat de te verdelen draagkracht, tezamen met die van de andere onderhoudsplichtigen, voor de voldoening van elk van de betrokken onderhoudsverplichtingen toereikend is, maar als gevolg van een bij voorbaat gelijke verdeling daarvan niettemin jegens (een) bepaalde onderhoudsgerechtigde(n) tekortschiet. Overigens heeft annotator Wortmann in haar NJ-noot de door de Hoge Raad in die beschikking gekozen oplossing als in de praktijk niet werkend bekritiseerd. Zie ook Asser/De Boer I* (2010), nr. 1034: "Uiteraard is ook denkbaar dat zowel de niet-verzorgende ouder als de verzorgende ouder kinderen uit verschillende relaties hebben en beiden onvoldoende draagkracht. Vaststelling van de kinderbijdragen wordt dan extreem ingewikkeld. Het stelsel roept ook procedures (tot eerste vaststelling of wijziging ten aanzien van andere kinderen) op."
6 Het hof heeft de draagkracht van de vader jegens [kind 1] (over de periode vanaf 1 december 2010) op € 469,- per maand vastgesteld (rov. 4.15). De behoefte van [kind 1] is vastgesteld op € 629,- per maand (rov. 4.8). Uitgaande van een gelijke behoefte van [kind 2] en [kind 1], en voorts ervan uitgaande dat de vader en zijn huidige echtgenote in gelijke mate draagkrachtig zijn, zou de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 3] telkens € 314,50 per maand moeten bijdragen. Dat is méér dan 50% (en wel ruim 67%) van zijn in de benadering van het hof voor die kinderen beschikbare draagkracht.
7 Voor de verdeling naar rato van draagkracht zou dan immers moeten worden uitgegaan van (2 x 1/3 =) 2/3 van het totale, voor hem berekende draagkrachtbedrag, terwijl de draagkracht van de huidige partner dan aan het geheel (3/3) van dat bedrag gelijk zou zijn.
8 Voor de verdeling naar rato van draagkracht zou dan immers moeten worden uitgegaan van (2 x 1/6 =) 1/3 van het totale, voor hem berekende draagkrachtbedrag, terwijl de draagkracht van de huidige partner dan aan het geheel (3/3) van dat bedrag gelijk zou zijn.
9 Mijns inziens ligt de wens een dergelijke uitkomst te voorkomen mede ten grondslag aan de in de voetnoten 4 en 5 reeds geciteerde jurisprudentie, volgens welke een (gelijke) verdeling van de draagkracht eerst aan de orde komt indien vaststaat dat de beschikbare draagkracht (tezamen met die van de andere onderhoudsplichtigen) niet toelaat in de behoefte van elk van de betrokken onderhoudsgerechtigden te voorzien.
10 Opmerking verdient dat de Hoge Raad in de in voetnoot 4 genoemde jurisprudentie van "bijzondere omstandigheden", zoals "een duidelijk verschil in behoefte" heeft gesproken.