ECLI:NL:PHR:2012:BX4020
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitsluiting aftrek omzetbelasting bij privégebruik verbouwde bovenverdiepingen
In deze zaak staat centraal de vraag of de verbouwde bovenverdiepingen van een pand, die door de directeur-grootaandeelhouder (dga) van een BV als woning werden gebruikt, recht geven op aftrek van de in rekening gebrachte omzetbelasting. Belanghebbende, bestaande uit een fiscale eenheid van de BV en haar dga, had de omzetbelasting over de verbouwingskosten volledig in aftrek gebracht. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat voorafgaand aan de verbouwing een levering in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet) had plaatsgevonden, omdat de bovenverdiepingen privé werden gebruikt en daarmee het bedrijfsvermogen hadden verlaten. Hierdoor werd aftrek van de omzetbelasting uitgesloten.
Belanghebbende stelde in cassatie drie middelen aan de orde: de tenaamstelling van de naheffingsaanslag, het karakter van de verbouwing en de aannemelijkheid van het zakelijke gebruik van 11%. De Hoge Raad oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende was opgelegd en dat het Hof niet onjuist had geoordeeld dat de verbouwing niet had geleid tot de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak. Ook was het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk was gemaakt dat de bovenverdiepingen deels voor bedrijfsdoeleinden werden gebruikt, niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad stelde voorts vast dat de levering van de bovenverdiepingen voorafgaand aan de verbouwing op grond van artikel 3, lid 1, onderdeel g, van de Wet berustte op een onjuiste rechtsopvatting, omdat het pand onderdeel was van een fiscale eenheid en het bedrijfsvermogen niet daadwerkelijk was verlaten. Desalniettemin leidde dit niet tot cassatie, omdat de omzetbelasting op de verbouwingskosten onder het bereik van artikel 15, lid 4, van de Wet viel en het gebruik door de dga als woning moest worden aangemerkt als een personeelsvoorziening, waardoor aftrek van voorbelasting uitgesloten is. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep ongegrond verklaard moest worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand wegens privégebruik van de verbouwde bovenverdiepingen.