ECLI:NL:PHR:2012:BX4490
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid OM wegens schending artikel 255 Sv na internationale signalering en bekentenis
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verdachte na een kennisgeving van niet verdere vervolging in 1999, waarbij verdachte internationaal was gesignaleerd en later werd aangehouden. Verdachte had een bekennende verklaring afgelegd tijdens zijn inverzekeringstelling, waarna hij opnieuw in rechte werd betrokken zonder dat een nieuw gerechtelijk vooronderzoek was ingesteld.
De verdediging voerde aan dat de internationale signalering na de kennisgeving van niet verdere vervolging ingetrokken had moeten worden en dat het ontbreken van een gerechtelijk vooronderzoek bij de dagvaarding leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Tevens werd gesteld dat de inverzekeringstelling onrechtmatig was en dat verdachte geen raadsvrouw kon consulteren voorafgaand aan zijn verhoor.
Het hof oordeelde dat de internationale signalering, aanhouding en inverzekeringstelling opsporingshandelingen zijn en geen hernieuwde betrokkenheid in rechte in de zin van artikel 255 Sv Pro. De bekentenis van verdachte vormde nieuwe bezwaren op grond waarvan hij rechtmatig opnieuw in rechte werd betrokken. Het ontbreken van een gerechtelijk vooronderzoek bij de dagvaarding was een vormverzuim zonder gevolgen, mede omdat de rechter-commissaris de inverzekeringstelling rechtmatig had geacht en de bekentenis was bevestigd.
De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en verwerpt het cassatieberoep. De schending van artikel 255, derde lid, Sv leidt niet tot niet-ontvankelijkheid, aangezien de strekking van de bepaling niet is geschonden. Ook het verweer omtrent de geldigheid van de oproeping voor de terechtzitting van 21 november 2007 wordt verworpen wegens gebrek aan belang en tijdige aanvoeren.
De strafzaak is niet binnen een redelijke termijn afgedaan, maar dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM. De zaak wordt inhoudelijk voortgezet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het openbaar ministerie is ontvankelijk en de veroordeling blijft in stand.