ECLI:NL:PHR:2012:BX5113
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel van 5.000 euro
In deze zaak bevestigt de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 november 2010, waarin aan betrokkene ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd ter hoogte van € 5.000,-. Betrokkene was veroordeeld voor het aannemen van giften als ambtenaar en het opzettelijk schenden van een ambtsgeheim.
De verdediging stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met een vermeende lening van ECA, die volgens hen het wederrechtelijk verkregen voordeel zou verminderen. Het hof had echter geoordeeld dat geen concreet bewijs bestond voor deze lening en dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd was op verklaringen van betrokkene en een derde, die samen een bedrag van circa € 5.000,- ondersteunden.
Verder werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet ontvankelijk was omdat tijdens de eerdere zittingen geen beroep op termijnoverschrijding was gedaan. Daarnaast was de overschrijding van de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad marginaal en zou eventuele compensatie in de hoofdzaak kunnen worden toegepast.
De Hoge Raad concludeert dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom de lening niet in mindering is gebracht en dat de ontnemingsvordering terecht is vastgesteld. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering van 5.000 euro wordt bevestigd.