ECLI:NL:PHR:2012:BX5512

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04905 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 116 lid 3 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 25.1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking teruggave scheepsschroef wegens procedurele tekortkomingen

In deze zaak gaat het om een klaagschrift van een partij die de teruggave van een onder een ander in beslag genomen scheepsschroef vordert. De Rechtbank had het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast zonder de belanghebbende die de schroef onder zich had, te horen of op te roepen voor de behandeling van het klaagschrift. Ook vond de behandeling niet plaats in een openbare raadkamerzitting, maar werd een beschikking zonder zitting gegeven.

De Hoge Raad constateert dat de belanghebbende niet is opgeroepen en niet in de gelegenheid is gesteld een klaagschrift in te dienen, terwijl dit volgens art. 552a lid 5 Sv wel vereist is. Hierdoor is de belanghebbende in de beklagprocedure buiten de boot gevallen. De Hoge Raad overweegt dat dit verzuim moet worden hersteld door de vernietiging van de beschikking en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof voor een nieuwe behandeling waarbij de belanghebbende wordt betrokken.

Daarnaast bespreekt de Hoge Raad dat de Officier van Justitie geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het voorwerp terug te geven aan een ander dan de beslagene en dat de beslagene niet op de hoogte is gesteld van het voornemen tot teruggave. De Hoge Raad benadrukt dat ook de andere partij die het klaagschrift heeft ingediend in de gelegenheid moet worden gesteld zich uit te laten over het cassatieberoep.

De Hoge Raad concludeert dat het middel gegrond is en vernietigt de bestreden beschikking. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te Leeuwarden voor hernieuwde behandeling en afdoening van het klaagschrift, waarbij de belangen van alle betrokkenen adequaat worden gewaarborgd.

Uitkomst: De beschikking tot teruggave van de scheepsschroef wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 11/04905 B
Mr. Vellinga
Zitting: 3 juli 2012
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Bij beschikking van 5 oktober 2011 heeft de Rechtbank te Groningen het beklag van [A] tot teruggave van een onder klager inbeslaggenomen scheepsschroef gegrond verklaard en de teruggave van de scheepsschroef gelast aan [A].
2. Namens klager heeft mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen, één middel van cassatie voorgesteld.
3. De onderhavige zaak heeft betrekking op een scheepsschroef die in mei 2011 op het terrein van klager is aangetroffen en in beslag is genomen. Klager is als bewaarder van de scheepsschroef aangesteld. Volgens het Openbaar Ministerie Groningen is de scheepsschroef inmiddels afgegeven aan [A].
4. Alvorens het middel te bespreken merk ik op dat de scheepsschroef onder klager in beslag is genomen en klager dus ingevolge art. 552a lid 5 Sv als belanghebbende voor de behandeling van het klaagschrift van [A] had moeten zijn opgeroepen. Uit de stukken, die de griffier van de Rechtbank op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad heeft doen toekomen, blijkt niet dat dat is geschied. Uit die stukken blijkt evenmin dat aan klager mededeling is gedaan dat de Officier van Justitie voornemens was de scheepsschroef aan een ander dan klager terug te geven. Dat voornemen had de Officier van Justitie kennelijk ook niet. Bij de stukken bevindt zich namelijk een brief van de Officier van Justitie aan de Rechtbank d.d. 14 november 2011 waarin hij schrijft dat gezien een vonnis van de voorzieningenrechter waarbij een verzoek van tot afgifte van de scheepsschroef aan [A] volgens hem(1) is toegewezen, geen strafvorderlijke belangen meer aanwezig zijn die zich verzetten tegen teruggave van de scheepsschroef aan [A] en dat het klaagschrift van [A] dus gegrond kan worden verklaard. Vervolgens heeft de Rechtbank het klaagschrift van [A], strekkende tot teruggave van de scheepsschroef aan [A], gegrond verklaard en de teruggave van de scheepsschroef aan [A] gelast, evenwel zonder het klaagschrift in raadkamer te behandelen. Er is, zo schrijft de griffier van de Rechtbank, "slechts een beschikking zonder zitting gewezen." En zo is klager dus in de beklagprocedure tussen wal en schip geraakt.
5. De vraag is of het voorgaande betekent dat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beklag. Naar de tekst van art. 552d lid 2 Sv staat voor hem immers geen beroep in cassatie tegen de onderhavige beschikking open. Dat zou ook het geval zijn indien hij wel was opgeroepen om als belanghebbende op het klaagschrift te worden gehoord. Klager zou hij daarmee immers nog niet zijn geworden.
6. Het valt op dat de Officier van Justitie, toen hij kennisnam van het klaagschrift van [A], geen gebruik heeft gemaakt van de hem in art. 116 lid 3 Sv Pro gegeven bevoegdheid het inbeslaggenomen voorwerp terug te geven aan een ander dan de beslagene. Zou de Officier van Justitie dan hebben verzuimd klager van zijn voornemen op de hoogte te stellen, dan was klager in beklag tegen het beslag ontvankelijk geweest, zelfs als de Officier van Justitie - zoals inmiddels het geval is - het voorwerp reeds had teruggegeven aan [A], en wel omdat het beklag het rechtskarakter zou moeten worden toegekend van beklag tegen het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv Pro de inbeslaggenomen voorwerpen aan een ander dan de beslagene (de klager) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, NJ 1996, 526).(2)
7. In de toelichting op het middel voert klager aan dat hij pas op de hoogte raakte van de onderhavige beschikking toen hem deze werd getoond door personen die de scheepsschroef op 31 oktober 2011 bij hem kwamen ophalen. Voorts wijst hij erop dat hij niet in de gelegenheid was zelf een klaagschrift in te dienen, omdat hij niet overeenkomstig het bepaalde in art. 552a lid 5 Sv in de gelegenheid is gesteld een klaagschrift in te dienen.
8. Hiervoor heb ik reeds opgemerkt dat bij de stukken, die de griffier van de Rechtbank op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad heeft doen toekomen, een kennisgeving van het klaagschrift van [A] aan klager en een oproeping van klager voor de behandeling van het klaagschrift van [A] ontbreken. Derhalve moet er in cassatie van worden uitgegaan dat noch die kennisgeving noch die oproeping heeft plaatsgevonden.
9. Zoals de Hoge Raad in het hiervoor onder 6 beschreven geval een voorziening heeft getroffen om de gevolgen van een verzuim de beslagene mededeling te doen van zijn voornemen tot teruggave aan een ander te repareren, meen ik dat daartoe ook in het onderhavige geval reden is. Het onderhavige geval en het hiervoor onder 6 beschreven geval komen immers hierin overeen dat de beslagene door een verzuim van justitiële autoriteiten in de beklagprocedure buiten de boot valt. Om dit aan de justitiële autoriteiten toe te rekenen gebrek te verhelpen dient klager in zijn beklag te worden ontvangen. Vernietiging van de bestreden beschikking stelt hem dan in staat alsnog een klaagschrift in te dienen.
10. Aan klager zou kunnen worden tegengeworpen dat hij niet in cassatie had moeten gaan tegen de onderhavige beschikking maar zelf een klaagschrift tegen de inbeslagneming had moeten indienen. Een dergelijke tegenwerping lijkt mij niet terecht. Dan immers had klager te horen gekregen dat de onderhavige beschikking onherroepelijk was geworden en klager dus niet kon worden ontvangen in zijn beklag (HR 27 maart 2012, LJN BT8757, rov. 2.2 en 2.3).
11. Het middel klaagt dat klager in strijd met het bepaalde in art. 552a lid 5 Sv niet in de gelegenheid is gesteld een klaagschrift in te dienen, hij voor de behandeling van het klaagschrift van [A] geen oproeping heeft ontvangen en het klaagschrift niet ter openbare raadkamer is behandeld.
12. Zoals uit de hiervoor beschreven gang van zaken volgt is het middel gegrond.
13. Voor het geval de bestreden beschikking wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan vestig ik er de aandacht op dat in geval klager na vernietiging van de onderhavige beschikking alsnog een klaagschrift indient, dit klaagschrift en het onderhavige klaagschrift zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gevoegd moeten worden behandeld.(3) De wet - in het bijzonder art. 552a lid 5 Sv - voorziet niet in het stellen van een termijn aan het indienen van een klaagschrift. Toch zou ik er geen bezwaar in zien dat het Hof klager als degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen van het indienen van het klaagschrift op de hoogte stelt, hem voor de behandeling oproept en aangeeft ervan uit te gaan dat hij geen klaagschrift indient wanneer hij dat niet voor een bepaalde datum heeft gedaan.
14. Met betrekking tot de behandeling in cassatie stel ik nog de vraag of deze behandeling doorgang kan vinden zonder dat [A] in de gelegenheid is gesteld zijn visie op het cassatieberoep te geven. Het belang van het [A] is immers in de onderhavige procedure ook in het geding. Bovendien is de onderhavige beschikking gewezen op het beklag van [A]. Naar analogie van het bepaalde in art. 552a lid 5 Sv zou ik daarom menen dat ook [A] in de gelegenheid moet worden gesteld zich over het cassatieberoep uit te laten alvorens de Hoge Raad daarover beslist.(4) Dit is alleen anders wanneer klager niet in zijn beroep in cassatie wordt ontvangen.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Leeuwarden teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In het klaagschrift wordt alleen gesteld dat de voorzieningenrechter verlof heeft verleend tot het leggen van conservatoir beslag. Een vonnis van de voorzieningenrechter waarbij - zoals de Officier van Justitie schrijft - het verzoek tot afgifte van de scheepsschroef is toegewezen bevindt zich niet bij de stukken die de griffier van de Rechtbank op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad heeft doen toekomen. De Rechtbank overweegt in haar bestreden beschikking wel dat de voorzieningenrechter een verzoek tot afgifte van de scheepsschroef heeft toegewezen en lijkt hier zonder meer af te gaan op hetgeen de Officier van Justitie meedeelt.
2 HR 29 maart 2011, LJN BP0455, NJ 2011, 161.
3 Zie HR 27 maart 2012, LJN BT8757, rov. 2.4.
4 In het hiervoor in punt 6 aangehaalde HR 29 maart 2011, LJN BP0455, NJ 2011, 161 is degene aan wie de Officier van Justitie het inbeslaggenomen voorwerp heeft teruggegeven, in cassatie niet in de gelegenheid gesteld zijn visie op het cassatieberoep te geven hoewel zijn belang wel in het geding was.