ECLI:NL:PHR:2012:BX5513

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/04984 J
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 184 SrArt. 141 SvArt. 53 SvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste toepassing wettelijke voorschriften en disproportioneel politiegeweld

De zaak betreft een jeugdige verdachte die op 30 april 2009 in Almere werd veroordeeld voor het opzettelijk niet opvolgen van een bevel van een politieambtenaar en wederspannigheid tegen politieambtenaren die hem aanhielden. Het Hof had geoordeeld dat het bevel tot verwijderen was gebaseerd op artikel B.1.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Almere, en dat de politieambtenaren rechtmatig handelden ondanks het aangevoerde disproportionele geweld.

In cassatie klaagde de advocaat van de verdachte dat het Hof ten onrechte artikel B.1.2 APV als wettelijk voorschrift aanmerkte, terwijl dit niet uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het doen van een vordering bevat zoals vereist door artikel 184 Sr Pro. Daarnaast stelde de verdediging dat het politieoptreden disproportioneel en daarmee onrechtmatig was, waardoor het bestanddeel 'rechtmatige uitoefening van hun bediening' niet was vervuld.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd door artikel B.1.2 APV als wettelijk voorschrift te kwalificeren en door het disproportionele geweld buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het politieoptreden. De civielrechtelijke onrechtmatigheid kan niet los worden gezien van de strafrechtelijke rechtmatigheid. Hierdoor werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.

De Hoge Raad benadrukte het belang van proportionaliteit en subsidiariteit bij politiegeweld en de noodzaak dat bevoegdheden tot vordering duidelijk wettelijk zijn geregeld. Tevens wees hij op het belang van een juiste juridische kwalificatie van verweren in cassatie en de gevolgen daarvan voor bewijsuitsluiting en strafvermindering.

Uitkomst: Arrest Hof vernietigd en zaak terugverwezen wegens onjuiste rechtsopvattingen over wettelijkheid bevel en disproportioneel politiegeweld.

Conclusie

Nr. 11/04984 J
Mr. Vegter
Zitting 3 juli 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem, zittinghoudende te Leeuwarden, heeft - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - bij arrest van 27 oktober 2011 de verdachte wegens 1. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht en belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" en 2. "wederspannigheid, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
2. A.G. Smits heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel klaagt in samenhang met de toelichting - naar ik begrijp - over de verwerping van het verweer dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was en dat ten aanzien van feit 2 mitsdien geen sprake was van een "rechtmatige uitoefening hunner bediening".
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"feit 1:
hij op 30 april 2009 in de gemeente Almere opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant 1], agent van politie Flevoland, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen dat hij zich moest verwijderen in de richting van de Spoordreef, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;
feit 2:
hij op 30 april 2009 in de gemeente Almere toen de aldaar dienstdoende agent van politie Flevoland [verbalisant 1] en agent van politie Flevoland [verbalisant 2], verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau Almere-Stad, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig zich met kracht in een andere richting trachten te bewegen dan de richting in welke [verbalisant 1 en 2] hem, verdachte, trachtten te voeren."
3.3. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsvrouw van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Bewijs
Over het bewijs van feit 1 kunnen we kort zijn: zowel uit het proces-verbaal van de agenten als de verklaring van cliënt blijkt dat hij destijds opzettelijk niet luisterde naar de vordering van de agenten.
Toen cliënt hiervoor werd aangehouden, heeft hij zich verzet. Dit verzet zou hebben bestaan uit 'het zich in andere richting bewegen dan de agenten'; het tenlastegelegde slaan of schoppen en het pakken van de jas werd door het Hof niet bewezen verklaard. Het verzet tegen de aanhouding is onder 2 als wederspannigheid tenlastegelegd. Een belangrijk bestanddeel van de delictsomschrijving van dat feit is dat de betrokken agenten handelden 'in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.'
Rechtmatig is de uitoefening van een in een wettelijke bepaling neergelegde bevoegdheid; de politieambtenaren maakten gebruik van de bevoegdheid tot aanhouding zoals neergelegd in art. 53 Sv Pro; deze bepaling verleent hen ook de bevoegdheid te doen wat ter aanhouding noodzakelijk is, maar in de onderhavige zaak gingen zij verder dan noodzakelijk.
Cliënt werd hardhandig tegen de grond gewerkt en in de boeien geslagen. Dat is buitensporig in een geval waar meerdere agenten gezamenlijk optreden tegen een minderjarige bij de aanhouding voor een relatief licht vergrijp. Cliënt verklaarde ter zitting bij het hof: 'ik ben bij mijn aanhouding te hard aangepakt door de politie. Ik kwam na de aanhouding thuis met blauwe plekken en ik had veel pijn.' De vader van cliënt beaamde dit tijdens die zitting en verklaarde bovendien dat cliënt gekneusde ribben had ten gevolge van de aanhouding. Ook uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat cliënt bij de aanhouding letsel aan zijn armen en gezicht heeft opgelopen.
Art 8 lid 1 Politiewet Pro geeft aan dat politieambtenaren slechts geweld mogen gebruiken in overeenstemming met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover de geweldstoepassing de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit overschrijdt, is het onrechtmatig. Bovendien vereist art. 8 lid 1 Politiewet Pro een waarschuwing vooraf; ook die is niet gegeven. Nu de agenten handelden buiten de kaders die art. 8 Politiewet Pro stelt, handelden zij niet 'in de rechtmatige uitoefening van hun bediening'. Daarmee is een bestanddeel van het tweede feit niet vervuld en dient cliënt daarvan te worden vrijgesproken.
(...)
Strafmaat;
Mocht u menen dat tegen cliënt wel disproportioneel geweld is gebruikt maar dat dit niet leidt tot vrijspraak van het tweede feit dan is het gewelddadig optreden van de agenten desalniettemin relevant in het kader van de strafmaat. Niet alleen zet het de eventuele wederspannigheid van cliënt in een ander daglicht maar ook maakt het dat cliënt reeds genoeg gestraft is. Daarbij zou ik willen noemen dat cliënt nimmer enige reactie heeft mogen ontvangen op de door hem ingediende klacht over het gedrag van de politie."
3.4. De bestreden uitspraak houdt in:
Overwegingen omtrent het bewijs
Ten aanzien van feit 1:
Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij opzettelijk een bevel of vordering krachtens artikel B.1.1. lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Almere (hierna: APV), in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, niet heeft opgevolgd.
Artikel B.1.1. van de APV luidt als volgt:
1. Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.
2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of426bis van het Wetboek van Strafrecht.
3. Het is verboden op of aan de weg een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.
Artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vereist een krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering.
Het hof overweegt dat artikel B.1.1. lid 1 van de APV niet uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid bevat. Artikel B.1.1. van die APV is derhalve geen "wettelijk voorschrift" in de zin van artikel 184, eerste lid, Sr.
Artikel B.1.2. van de APV luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
1. Het is verboden (...) door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.
2. Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen, indien diegene op de weg aanwezig is
- bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
- (...).
3. (...).
Het hof stelt vast dat artikel B.1.2. van de APV een expliciete verplichting voor een ieder inhoudt om op bevel van een ambtenaar van de politie zich in de door die politie-ambtenaar aangewezen richting te verwijderen, indien sprake is van de in het tweede lid genoemde situatie, hetgeen in de onderhavige zaak aan de orde is.
Het hof merkt hierbij op dat de verplichting om zich te verwijderen impliceert dat de betrokken ambtenaar de bevoegdheid toekomt om te vorderen zich te verwijderen.
Op grond van het bovenstaande acht het hof bewezen dat de vordering van de betrokken ambtenaar aan de verdachte om zich te verwijderen krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten art. B.1.2 van de APV, is gedaan.
Ten aanzien van feit 2:
Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het onder 2 ten laste gelegde "in de rechtmatige uitoefening van hun bediening" niet kan worden bewezen, omdat de betrokken verbalisanten zodanig buitensporig geweld op verdachte hebben toegepast, dat zij - kort gezegd - hun boekje te buiten zijn gegaan en dat zij zodoende jegens verdachte onrechtmatig hebben gehandeld. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de raadsvrouw verwezen naar het bepaalde in artikel 8, lid 1, van de Politiewet, waarin de grenzen worden aangegeven van de wijze en mate van door opsporingsambtenaren toe te passen geweld.
Dit verweer vindt geen steun in het recht.
Zoals hiervoor is overwogen, ontleenden de verbalisanten hun bevoegdheid om van verdachte te vorderen zich te verwijderen aan artikel B.1.2. van de APV. De bevoegdheid om verdachte, die niet aan de vordering voldeed, bij betrapping op heterdaad aan te houden vloeide eveneens rechtstreeks voort uit artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafvordering, en daarmee was de rechtmatigheid van die (ambts)handeling van de verbalisanten gegeven. Dat de verbalisanten bij die (rechtmatige) uitoefening van hun taak mogelijk zodanig hebben gehandeld dat zij daarmee jegens verdachte onrechtmatig, als bedoeld in art. 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hebben gehandeld, is een vraag die moet worden beantwoord in een procedure voor de burgerlijke rechter. Een dergelijke in het strafproces gestelde onrechtmatigheid doet aan de rechtmatigheid van het optreden van de opsporingsambtenaren niet af.
Het hof verwerpt dit verweer derhalve."
3.5. Ik begin met een ambtshalve opmerking. Het Hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat de verdachte - kort gezegd - een ambtelijk (verwijderings)bevel niet heeft opgevolgd. Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokken ambtenaar krachtens art. B.1.2 van de APV bevoegd was een dergelijk bevel te geven en dat aldus kennelijk sprake was van een wettelijk voorschrift als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 184, eerste lid, Sr eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering.(1) Het in de overwegingen van het Hof vermelde art. B.1.2 van de APV Almere kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Dit moet naar mijn mening leiden tot ambtshalve cassatie ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde.
3.6. Dan het middel. Zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven klaagt het middel over het oordeel van het Hof dat de aanhouding van de verdachte rechtmatig was. Als ik het goed begrijp, ziet dit op het onder 2 bewezenverklaarde feit. Blijkens (het verweer in feitelijke aanleg en) de toelichting op het middel heeft de steller daarvan daarbij slechts het oog op het - in de ogen van de verdediging - disproportionele geweld dat is toepast.(2)
3.7. Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof voorbij is gegaan 'aan de mogelijke gevolgtrekking binnen het strafproces van een onrechtmatige aanhouding'. De steller van het middel wijst er op dat de vaststelling van een onrechtmatige aanhouding tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, bewijsuitsluiting of strafvermindering zou kunnen leiden.
3.8. Het Hof heeft het in hoger beroep aangevoerde kennelijk niet opgevat als een art. 359a Sv-verweer, maar als een bewijsverweer. Dat is gelet op de tekst van de hiervoor onder 3.2 weergegeven pleitnotitie niet onbegrijpelijk. De steller van het middel probeert het aangevoerde nu kennelijk om te vormen naar een art. 359a Sv-verweer. Dat het Hof het verweer niet zo heeft verstaan, is echter niet onbegrijpelijk. De verdediging in hoger beroep heeft immers niet duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a Sv genoemde factoren bepleit dat sprake is van een vormverzuim en tot welk rechtsgevolg dat dient te leiden.(3)
3.9. Het middel klaagt voorts dat door het gestelde onrechtmatige optreden een bestanddeel van de delictsomschrijving niet langer wordt vervuld. De steller van het middel klaagt in dat kader dat de verdachte de overweging van het Hof - inhoudende dat indien sprake is van een onrechtmatige daad jegens de verdachte in civielrechtelijke zin, er desondanks sprake is van een rechtmatige uitoefening van hunner bediening - niet kan volgen.
3.10. Voor de rechtmatige uitoefening van de bediening als bedoeld in art. 180 Sr Pro geldt onder meer dat het optreden van de ambtenaar moet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.(4) Door de rechtmatigheid van de aanhouding kennelijk slechts te baseren op de bevoegdheid die de verbalisanten hadden en voor mogelijke onrechtmatigheden bij de uitoefening van die bevoegdheid te verwijzen naar de civiele rechter, heeft het Hof dit miskend.
3.11. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Het middel slaagt. Ambtshalve wijs ik op hetgeen ik onder 3.5 heb overwogen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 29 januari 2008, LJN BB4108, NJ 2008/206, m.nt. Mevis en HR 15 mei 2012, LJN BW5164.
2 En dus niet op het feit dat de agenten gelet op hetgeen onder 3.5 is overwogen onrechtmatig tot aanhouding zijn overgegaan.
3 HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma.
4 Noyon/Langemeijer/Remmelink, aant. 4 op art. 180 (bijgewerkt tot en met 9 februari 2009). Zie ook HR 12 december 1978, NJ 1979/142 m.nt. Corstens en de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee vóór HR 16 november 2010, zaaknr. 09/01244 (HR: 81 RO) (niet gepubliceerd).