ECLI:NL:PHR:2012:BX5792

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/03273
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 6 EVRMArt. 47 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake toelating wettelijke schuldsanering

Verzoekster heeft bij de rechtbank en het hof te 's-Gravenhage verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af, en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat een aanzienlijk deel van de schulden niet te goeder trouw was ontstaan, omdat er niet strikt noodzakelijke uitgaven waren gedaan terwijl er al een forse schuldenlast bestond en verzoekster slechts een Wwb-uitkering had zonder betaald werk.

Verzoekster kwam vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad. Zij klaagde dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan twee elementen: de kans voor natuurlijke personen om met een schone lei te beginnen en de relatie tussen haar hoge bestedingspatroon en de zorg voor haar gehandicapte kind. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen grond voor cassatie boden. De eerste klacht vindt geen steun in het recht, en de tweede betreft een feitelijke vraag die niet in cassatie kan worden behandeld.

Daarnaast stelde verzoekster dat het hof artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 van Pro het EU-Handvest had geschonden door deze elementen niet mee te wegen. De Hoge Raad verwierp ook deze stelling omdat de klacht ten onrechte was gericht op het niet meewegen van de genoemde elementen en omdat er geen deugdelijke grondslag voor was.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan een deugdelijke grondslag en feitelijke vragen die niet in cassatie kunnen worden behandeld.

Conclusie

Zaaknummer: 12/03273
mr. Wuisman
Rolzitting: 10 augustus 2012 (WSNP)
CONCLUSIE tot niet- ontvankelijkheid ex artikel 80a Ro inzake:
[Verzoekster],
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
1. Voorgeschiedenis
1.1 Bij vonnis d.d. 8 maart 2012 wijst de rechtbank 's-Gravenhage het verzoek van verzoekster tot cassatie om tot de wettelijke schuldsanering te worden toegelaten af. Het hof 's-Gravenhage bekrachtigt dit vonnis bij arrest d.d. 26 juni 2012. Een aanzienlijk deel van de aanwezige schulden heeft verzoekster tot cassatie, aldus het hof, niet te goeder trouw laten ontstaan: er zijn niet strikt nodige uitgaven gedaan op een moment dat er al een forse schuldenlast bestond en verzoekster wist of kon begrijpen dat zij de financieringslasten niet binnen redelijke termijn zou kunnen voldoen; zij had slechts een Wwb-uitkering en geen betaald werk.
1.2 Bij een op 4 juli 2012 per fax bij de griffie van de Hoge Raad en daarmee tijdig binnengekomen verzoekschrift is verzoekster in cassatie van het arrest van het hof in cassatie gekomen.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep ex artikel 80a RO
2.1 Er wordt een cassatiemiddel voorgedragen met daarin de klacht dat het hof geen aandacht heeft geschonken aan twee elementen. De klacht kan, zo blijkt klaar, niet tot cassatie leiden. Immers:
a. Het eerste element, zoals in het middel omschreven, vindt geen steun in het recht. Of een natuurlijke persoon de kans dient te krijgen om weer met een schone lei verder te kunnen gaan, hangt hiervan af of hij voldoet aan de in de wet neergelegde voorwaarden voor toelating de wettelijke schuldsaneringsregeling.
b. Wat het tweede element betreft, of het hoge bestedingspatroon van verzoekster tot cassatie te maken heeft met de zorg voor haar gehandicapte kind is een vraag van feitelijke aard, die niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld. Verder wordt niet duidelijk gemaakt waarom het hof, gelet op het verloop van de procedure, onvoldoende aandacht aan dit aspect heeft geschonken.
c. De bewering dat artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 EU Pro-Handvest van de Grondrechten zijn geschonden, stoelt op het niet meewegen door het hof van de hiervoor besproken elementen. Reeds omdat ten onrechte over dit niet meewegen wordt geklaagd, mist de bewering een deugdelijke grondslag. Die grondslag ontbreekt ook overigens.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a Ro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden