ECLI:NL:PHR:2012:BX5792
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake toelating wettelijke schuldsanering
Verzoekster heeft bij de rechtbank en het hof te 's-Gravenhage verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af, en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat een aanzienlijk deel van de schulden niet te goeder trouw was ontstaan, omdat er niet strikt noodzakelijke uitgaven waren gedaan terwijl er al een forse schuldenlast bestond en verzoekster slechts een Wwb-uitkering had zonder betaald werk.
Verzoekster kwam vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad. Zij klaagde dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan twee elementen: de kans voor natuurlijke personen om met een schone lei te beginnen en de relatie tussen haar hoge bestedingspatroon en de zorg voor haar gehandicapte kind. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen grond voor cassatie boden. De eerste klacht vindt geen steun in het recht, en de tweede betreft een feitelijke vraag die niet in cassatie kan worden behandeld.
Daarnaast stelde verzoekster dat het hof artikel 6 EVRM Pro en artikel 47 van Pro het EU-Handvest had geschonden door deze elementen niet mee te wegen. De Hoge Raad verwierp ook deze stelling omdat de klacht ten onrechte was gericht op het niet meewegen van de genoemde elementen en omdat er geen deugdelijke grondslag voor was.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan een deugdelijke grondslag en feitelijke vragen die niet in cassatie kunnen worden behandeld.