1 Het arrest van het hof is van 24 januari 2012. De cassatiedagvaarding is op 13 februari 2012 uitgebracht.
2 Er hebben ook de nodige andere verrichtingen plaatsgehad c.q. zijn ook de nodige andere standpunten betrokken. Deze spelen echter voor de thans in cassatie voorgelegde vraag geen rol, wat mij aanleiding geeft die verrichtingen en standpunten niet nader te beschrijven.
3 Voor de oudere rechtspraak, waarin de hier bedoelde regel veelal met méér "gestrengheid" werd toegepast, en voor de verdere "oudere" rechtsleer, verwijs ik weer graag naar de aangehaalde vindplaats uit de conclusie van fgd. A - G Martens.
Ik vraag daarbij aandacht voor HR 9 mei 1958, NJ 1958, 321 "O. wat betreft het middel van niet-ontvankelijkheid". Daar oordeelde de Hoge Raad dat het bij één cassatiedagvaarding instellen van beroep in twee verschillende zaken waarin in hoger beroep rolvoeging was toegepast en vervolgens bij één appel-arrest gelijktijdig, maar wel in iedere zaak afzonderlijk, uitspraak werd gedaan, niet tot niet-ontvankelijkheid mocht leiden. Namens de verweersters onder 1 en 2 wordt aangevoerd dat dit arrest door de latere rechtspraak van de Hoge Raad zou zijn "achterhaald". Ik wil al op deze plaats opmerken dat ik geen aanwijzingen in die rechtspraak zie die deze gevolgtrekking voldoende rechtvaardigen. In die rechtspraak constateert de Hoge Raad soms dat geen "voeging" heeft plaatsgehad - maar ik beschouw dat niet als een (stilzwijgend) terugkomen op het oordeel uit het arrest van 1958, waarin aan (loutere) rolvoeging betekenis werd toegekend. Ik acht veeleer aannemelijk dat de Hoge Raad ook thans, net als in de uitspraak uit 1958, formele voeging en rolvoeging in dit verband als (min of meer) gelijkwaardig beoordeelt.
4 Zoals in de doctrine vrij algemeen wordt verdedigd, hebben voeging via het formele voegingsincident en zogenaamde "rolvoeging" inhoudelijk hetzelfde effect, namelijk: dat de "gevoegde" zaken gelijktijdig en door dezelfde rechters worden behandeld en beoordeeld, terwijl de verschillende zaken wel hun zelfstandigheid behouden; zie Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), G. Snijders, commentaar op Boek 1, Titel 2, Afd. 10, par. 4 Rv., aant. 7 en art. 222, aant. 4; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Van Maanen - Van Dam-Lely, 2012, art. 222, aant. 2 onder d en de daarin vermelde rechtspraak. Zie ook HR 22 juli 1948, NJ 1948, 618.
Bij een zo grote mate van overeenstemming wat betreft het materiële effect, lijkt het mij niet te verantwoorden om wél een scherp onderscheid te maken als het gaat om de toepassing van de in deze zaak aan de orde zijnde ontvankelijkheidsregel.
5 Zie voor de ruimere opvatting Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Ynzonides - Van Geuns, art. 343, aant. 6; Snijders - Wendels, Civiel appel, 2009, nr. 139; Lindijer, de goede procesorde, diss. 2006, nr. 6.7.3. Zonder af te dingen op de in de rechtspraak aanvaarde maatstaven: Hovens, Civiel appèl, 2007, p. 53; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 139 (p. 297).
6 De zaken zijn in eerste aanleg uitgeprocedeerd naar de regeling voor de versnelde bodemprocedure in octrooizaken die de rechtbank Den Haag heeft ontwikkeld, en die via rechtspraak.nl kan worden geraadpleegd. Blijkens rov. 1.1, vierde "gedachtestreepje", rov. 2.1, derde "gedachtestreepje" en rov. 3.1, derde "gedachtestreepje" van het in eerste aanleg gewezen vonnis (van 8 april 2009) heeft de voorzieningenrechter in het kader van die procedure rolvoeging van de drie zaken bevolen.