ECLI:NL:PHR:2012:BX6713

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02800
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieverzoek wegens ontbreken handtekening advocaat bij Hoge Raad

In deze zaak heeft de moeder van meerdere minderjarige kinderen cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden. Deze beschikking betrof onder meer machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdzorg. Het cassatieverzoekschrift werd echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist is op grond van art. 426a lid 1 Rv.

Na een eerste constatering van dit vormverzuim door de griffier van de Hoge Raad, kreeg verzoekster de gelegenheid het verzoekschrift te herstellen. Hoewel een tweede verzoekschrift werd ingediend met het briefhoofd van een advocaat uit het arrondissement 's-Gravenhage, ontbrak de vereiste handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad alsnog.

Omdat het vormverzuim niet tijdig werd hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn, concludeert de Procureur-Generaal dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieverzoek. Dit betekent dat de Hoge Raad het verzoek niet inhoudelijk zal behandelen en het vonnis van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieverzoek wegens het ontbreken van de vereiste handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

12/02800
Mr. F.F. Langemeijer
29 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe
en tegen
Raad voor de Kinderbescherming
1. Bij beschikking van 11 januari 2012 (nr. 90624/FA RK 11-3516) heeft (de kinderrechter in) de rechtbank te Assen de beschikking van de kinderrechter van 29 december 2011 bekrachtigd, waarin voor het tijdvak tot 24 januari 2012 machtiging werd verleend tot spoeduithuisplaatsing van de minderjarige kinderen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] en tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van het minderjarig kind [kind 4].
2. In een tweede beschikking van 11 januari 2012 (nr. 90218/FA RK 11-3279) heeft (de kinderrechter in) de rechtbank te Assen de minderjarige kinderen [kind 1], [kind 2], [kind 3], [kind 4] en [kind 5] onder toezicht gesteld. Tevens is met ingang van 11 januari 2012 machtiging verleend tot uithuisplaatsing van deze kinderen, telkens tot de datum die in de beschikking is genoemd. Ten aanzien van [kind 4] is machtiging verleend tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.
3. Op het hoger beroep van de moeder van de genoemde kinderen, [verzoekster], tegen deze beschikkingen heeft het gerechtshof te Leeuwarden bij beschikking, in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2012, de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot het vervangen van de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe (BJZ) als gezinsvoogdij-instelling. Het hof heeft de beschikking onder nr. 3516 bekrachtigd. Het hof heeft de beschikking onder nr. 3279 vernietigd wat betreft de machtiging tot plaatsing van [kind 4] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg in de periode vanaf 6 maart 2012 en het inleidend verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming in zoverre afgewezen. Voor het overige heeft het hof die beschikking bekrachtigd.
4. Bij verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 6 juni 2012, is namens de moeder cassatie verzocht van de beschikking van 6 maart 2012. Dit verzoekschrift was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals art. 426a lid 1 Rv voorschrijft. Nadat verzoekster bij brief van 7 juni 2012 door de griffier van de Hoge Raad op dit vormverzuim was gewezen en in de gelegenheid was gesteld dit uiterlijk 20 juni 2012 te doen herstellen(1), is op 20 juni 2012 opnieuw een verzoekschrift ter griffie ingekomen. Dit droeg weliswaar het briefhoofd van een in het arrondissement 's-Gravenhage kantoorhoudende advocaat, maar is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
5. Nu het vormverzuim niet tijdig is hersteld en de termijn van twee weken voor herstel als een uiterste termijn heeft te gelden, behoort verzoekster niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieverzoek. Daartoe strekt deze conclusie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
1 Vgl. HR 10 juli 2009 (LJN: BI0773), NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders; HR 14 oktober 2011 (LJN: BT7586), NJ 2011/479.