ECLI:NL:PHR:2012:BX6965

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02737
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 350 lid 3 FwArt. 351 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen

Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage is de schuldsaneringsregeling van verzoeker van toepassing verklaard. Op verzoek van de bewindvoerder is deze regeling beëindigd wegens niet-nakoming van verplichtingen, waaronder het niet informeren over vertrek naar Nigeria en het ontstaan van een boedelachterstand. Het hof bevestigde dit oordeel en wees het verzoek tot aanhouding af omdat de raadsman niet voldoende toelichting gaf en verzoeker niet zelf om aanhouding vroeg.

In cassatie klaagt verzoeker dat het hof onterecht het verzoek tot aanhouding afwees en dat hij niet te verwijten valt dat hij de bewindvoerder niet informeerde vanwege spoedeisendheid en de veronderstelling dat de regeling was geëindigd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het verzoek tot aanhouding afwees, gezien het ontbreken van voldoende toelichting en het feit dat verzoeker zijn verplichtingen niet nakwam.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep faalt en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling terecht is. Het arrest bevestigt de strikte naleving van verplichtingen binnen de schuldsanering en benadrukt dat het niet tijdig aanleveren van stukken en het niet informeren van de bewindvoerder ernstige tekortkomingen zijn.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen.

Conclusie

12/02737
Mr. L. Timmerman
Parket: 15 augustus 2012
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
verzoeker tot cassatie
(hierna: [verzoeker])
1.1 Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2010 is ten aanzien van [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Op verzoek van de bewindvoerder is de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 17 februari 2012 beëindigd op de grond dat [verzoeker] een of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (art. 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw). Bij arrest van 29 mei 2012 heeft het hof 's-Gravenhage het vonnis bekrachtigd. [Verzoeker] is van dit arrest tijdig in cassatie gekomen.(1)
1.2 In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans zonder voldoende motivering het verzoek van de raadsman van [verzoeker] om aanhouding heeft afgewezen. De aanhouding werd tijdens de mondelinge behandeling in appel op 22 mei 2012 verzocht om reden dat de bewindvoerder nog een aantal stukken miste, die de raadsman bij [verzoeker] zou hebben opgevraagd maar nog niet van hem zou hebben ontvangen. Het hof heeft het verzoek van de raadsman niet gehonoreerd, omdat (i) [verzoeker] de informatieplicht heeft geschonden door de bewindvoerder niet te laten weten dat hij naar Nigeria vertrok, (ii) onduidelijk is wanneer [verzoeker] is vertrokken en weer terug kan worden verwacht, (iii) het verzoek om aanhouding niet behoorlijk is toegelicht en (iv) ook niet blijkt dat [verzoeker] zelf aanhouding wenst. Het hof heeft de schuldsaneringsregeling vervolgens beëindigd op grond van 1) schending van de informatieplicht, 2) schending van de inspanningsplicht c.q. sollicitatieplicht en 3) het laten ontstaan van een boedelachterstand ten belope van € 8.591,91, terwijl hij over een aanzienlijke afloscapaciteit beschikte. Deze tekortkomingen acht het hof ernstig en toerekenbaar en staan volgens het hof zowel tezamen als afzonderlijk aan voortzetting van de schuldsaneringsregeling in de weg.
1.3 In cassatie wordt geklaagd dat [verzoeker] niet te verwijten valt dat hij de bewindvoerder er niet van op de hoogte heeft gesteld dat hij in verband met een sterfgeval naar Nigeria moest afreizen, aangezien sprake was van spoedeisendheid en hij er bovendien vanuit ging dat de schuldsaneringsregeling geëindigd was en dat hij geen bemoeienis meer had met de bewindvoerder. Het middel betoogt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, aangezien het op de weg van het hof had gelegen om aanhouding te verlenen, temeer daar het hof "de facto vooruit loopt op een door requestrant te voeren bewijslevering, welke had kunnen plaatsvinden, indien hem een tweede zitting was vergund geweest".
1.4 Het middel faalt. Voor zover [verzoeker] al niet in staat was de bewindvoerder te informeren over zijn vertrek - hetgeen weinig voor de hand ligt -, was de reden voor het verzoek om aanhouding blijkens het proces-verbaal van de op 22 mei 2012 gehouden zitting dat de raadsman bepaalde stukken bij [verzoeker] had opgevraagd maar nog niet van hem had ontvangen. Gelet op de omstandigheden van het geval, noopte dit feit het hof niet tot aanhouding. De raadsman was bij brief van 23 februari 2012 al opgeroepen voor de behandeling van de zaak op 22 mei 2012. De raadsman heeft verder niet (voldoende) toegelicht om welke stukken het ging. Dat [verzoeker] kennelijk noch de bewindvoerder, noch zijn raadsman (tijdig) van zijn vertrek naar Nigeria op de hoogte heeft gesteld en evenmin de door de raadsman opgevraagde stukken heeft aangeleverd, demonstreert veeleer dat [verzoeker] de op hem rustende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte is gaan "prognosticeren ter zake van een bewijsaanbod", gaat het uit van een onjuiste lezing van 's hofs arrest.
1.5 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 Ro Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 31 mei 2012, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw Pro genoemde cassatietermijn van acht dagen.